De kapucijnen...

 Startpagina Vorige

1) De kapucijnen, stichters, spiritualiteit... naar Stan Teuns

2) Foto's

3) Lexicon

I.  DE KAPUCIJNEN, STICHTERS, SPIRITUALITEIT... NAAR STAN TEUNS

 I.  FRANCISCUS VAN ASSISI EN DE STICHTING VAN ZIJN ORDE

 Franciscus van Assisi

Franciscus werd in 1182 in Assisi geboren als zoon van een lakenhandelaar. In zijn jeugd kende hij alleen rijkdom en plezier. Toch werd hij langzaam maar zeker een ander mens. het cruciaal moment van zijn bekering was een mystieke ervaring voor het kruisbeeld van San Damiano in 1206. Daar hoorde hij een stem: ‘Franciscus, ziet gij niet dat mijn huis instort! Ga en bouw het terug op!’. De innerlijke ommekeer van de jonge Franciscus voltrok zich in een tijdspanne van een drietal jaren. Zijn bekering uitte zich vooral in uiterlijke tekens. Hij verzaakte openbaar aan alle aardse bezit. Hij verzorgde melaatsen en armen. Hij deed aan handenarbeid door enkele vervallen kerken in de buurt van Assisi te herstellen. Al die uiterlijkheden waren echter nog een aarzelend zoeken naar zijn eigenlijke bestemming en religieuze toekomst.

Die roeping openbaarde zich in 1209 in de Portiuncula-kapel. Hij hoorde toen het evangelie over de uitzending van de apostelen voorlezen. Franciscus heeft dit voorval aan het einde van zijn leven in zijn testament zo beschreven: ‘Niemand heeft me verteld wat ik moet doen, maar de Allerhoogste zelf openbaarde mij dat ik volgens het heilig evangelie moest leven’. Al spoedig sloten gelijkgezinde mannen zich bij hem aan om zijn wijze van leven te delen. Het ontstaan van deze gemeenschap en haar ontwikkeling werden volledig bepaald door de manier van leven en de persoonlijkheid van Franciscus zelf. De franciscaanse broederschap is niet ontstaan uit een vooropgezet plan of een idee. Door zijn evangelische levenswijze en verkondiging verzamelde hij velen rond zich. Dat leven als broeder betekende ‘het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus onderhouden en leven in gehoorzaamheid, zonder eigendom en in kuisheid’. In 1210 schreef hij voor zijn broeders in eenvoudige woorden een levensregel. Deze regel werd – zij het na enige aarzeling – door paus Innocentius III mondeling goedgekeurd. Door die pauselijke bekrachtiging was de gemeenschap rond Franciscus een orde in de Kerk geworden. Die eerste regeltekst is verloren gegaan.

Mindere broeders

Ook al was de eerste regel voor tegenwoordige en toekomstige broeders geschreven, toch was hij net het resultaat van een vast omlijnd plan. Naarmate de broederschap zich uitbreidde, groeide ook de regel. Goede en slechte ervaringen kregen hun neerslag. De organisatorische reglementering werd strakker. Deze tendens komt duidelijk tot uiting in de ‘regel van 1221’. Die regel bevat waardevolle informatie over de groei van de broederschap en over haar oorspronkelijke idealen en doelstellingen. Slechts in 1223 werd een herwerkte en mee juridische regel door Rome goedgekeurd. Tijdens zijn laatste levensjaren werd Franciscus door heel wat lichamelijk en psychisch leed gekweld. Zware oog-, maag-, milt- en leverziekten en waarschijnlijk malaria berokkenden hem ondraaglijke kwellingen. De orde telde in 1221 al enkele duizenden broeders. Velen werden ontrouw aan hun oorspronkelijke roeping en sloegen eigen wegen in. Dat deed Franciscus nog meer pijn. Hij ging aan deze lichamelijke en geestelijke kwellingen niet ten onder. Hij groeide naar een steeds inniger verbondenheid met de gekruisigde Christus. Dat kwam tot uiting in het verkrijgen van de stigmata (september 1224). Uitgerekend in die donkere tijd na de stigmatisatie schreef hij zijn Zonnelied. Dat loflied prees de schoonheid en de goedheid van de stoffelijke wereld die een openbaring zijn van de schoonheid en goedheid van God. Hij stierf op de avond van 3 oktober 1226 bij de Portiuncula-kapel waar hij ooit zijn leven in boete begonnen was.

 Broeders van de Gemeenschap en Spirituelen

Na de dood van Franciscus begonnen zich binnen de orde twee richtingen af te tekenen. De eerste groep noemde zich de minderbroeders van de gemeenschap (conventuelen). Zij woonden in grotere kloosters. Zij aanvaardden een mildere interpretatie van de regel, gesteund door pauselijke privileges. Zuiver onderhouden van de regel betekende niet zich krampachtig vasthouden aan de letter. Het testament van Franciscus had voor hen geen verplichtend karkater. De tweede groep noemden zich de spirituelen. Zij gingen er van uit dat het ideaal van Franciscus in zijn geheel ongeschonden moest blijven. De regel en het testament moesten naar de letter genomen worden. Dit verschil van opvatting leidde in de beginperiode nog niet tot onverzoenlijke tegenstellingen. Die kwamen er wel na de dood van Bonaventura in 1274.  Broeders die ijverden voor een strikte onderhouding van de regel legden intolerante accenten, hingen apocalyptische ideeën aan en verwierpen fanatiek elke pauselijke regelverklaring. Met de bulle ‘Sancta Romana’ van 30 december 1317 veroordeelde paus Johannes XXII alle spirituelen van welke richting ook. In de beslotenheid van de kluizenarijen bleef echter de herinnering aan de spirituelen bewaard en zou als een gist opnieuw werkzaam worden in de orde.

Observantiebeweging

Aan het einde van de veertiende eeuw ontstaan in Italië, Frankrijk en Spanje groepen die een strengere onderhouding van de regel nastreven. In 1368 trok een lekenbroeder naar de kluis van Borghiano. Bij zijn dood in 1390 waren de zocculanten in heel Italië verspreid. In Spanje en Portugal begonnen in 1403 de villacretianen, genoemd naar Petrus van Villacreces. Te Dôle in Frankrijk ontstonden in 1412 de coletanen, geïnspireerd door de hervormster van de  clarissen Coleta van Corbië. Deze groepjes groeiden heel langzaam, maar in 1415 hadden al deze observanten tezamen zowat 70 kloosters, bijna allemaal kleine kluizenarijen, waarin ongeveer 600 broeders woonden. Tussen 1450 en 1480 kreeg deze observantiebeweging meer bekendheid door Bernardinus van Siena, Joannes van Capestrano en Jacobus van de Marken. Met de bulle ‘Ite et vos’ van 29 mei 1517 bezegelde paus Leo X juridisch de splitsing tussen de conventuelen en de observanten. Hij bepaalde dat naast de conventuelen de observanten, bestaande uit alle hervormingsrichtingen, een eigen bestaan zouden leiden. Binnen de observanten ontstonden autonome groepen: in Italië de reformanten, in Spanje de alcantarijnen, in Frankrijk de recolletten. Leo XIII verenigde in 1897 deze groepen onder de naam van minderbroeders.

II.  HERVORMING VAN DE MINDERBROEDERS KAPUCIJNEN

De kapucijnen, zo genoemd door het volk omwille van hun lange spitse kap, ontstonden in 1525 bij de observanten van de Marken (Midden Italië). Zij wilden een strenger, meer teruggetrokken en contemplatief leven leiden. De regel wilden zij ‘eenvoudig en zuiver, zonder aantekeningen’ onderhouden zoals Franciscus in zijn testament bepaald had. In die zin bleven zij observanten. Het feit echter dat zij Franciscus zelf als regel, norm en voorbeeld namen voor hun leven, onderscheidt hen van de andere hervormingen in de minderbroedersorde. In de constituties lezen we: “Omdat zij in zoverre kinderen van de H. Franciscus zijn, als wij zijn leven en leer volgen, zoals Christus tot de Hebreeën zei: “Als gij Abrahams kinderen zijt, doet dan Abrahams werken”; daarom vermanen wij de broeders om Franciscus na te volgen. Hij toch is ons geroepen als leidsman, richtsnoer en voorbeeld, niet alleen in de regel en het testament, maar ook in al zijn vurige uitspraken en heilige werken. De kapucijnenhervorming kende echter een bewogen begin.

Mattheus van Bascio, een meer radicaal franciscaans leven

Bij de observanten van de Marken zochten verschillende broeders naar een leven dat sterker aansloot bij de authentieke levenswijze van Franciscus. Onder hen was Mattheus van Bascio. Hij vroeg aan zijn provinciaal om als rondtrekkend prediker een mee radicaal franciscaans leven te mogen leiden. De provinciaal, Johannes van Fano, weiderde zijn toestemming. Daarop trok Mattheus op eigen initiatief naar Clemens VII. De paus gaf hem de toelating op voorwaarde zich eenmaal per jaar bij zijn provinciaal te presenteren. Hij deed zoals hem was opgedragen en begaf zich in 1525 naar Joannes van Fano. Die vond hem echter schuldig op twee punten: hij had zonder toestemming het klooster verlaten en hij had een ander habijt aangetrokken dan in de orde was voorgeschreven. Mattheus werd opgesloten in de kloostergevangenis.

Ludovicus van Fossombrone, stichter van de minderbroeders van het kluizenaarsleven.

Mogelijk geïnspireerd door Mattheus maar zeker in reactie op een negatieve beslissing van hun provinciaal verlieten Ludovicus en zijn broer Rafaël in de zomer van 1525 het klooster van Fossombrone. zij hadden gevraagd in een arm en afgelegen huis te mogen leven samen met andere broeders om de regel zuiver en trouw te onderhouden. Dat verlangen werd door velen gedeeld en dit verontrustte de leiding van de dorde. De overste weigerde en besliste dat iedereen desnoods met geweld naar het klooster teruggebracht moest worden. De twee broeders Fossombrone zochten bescherming bij de camaldulenzen (1526). Zij bezochten ook Mattheus van Bascio. Toen deze hun duidelijk maakte dat zijn verlof persoonlijk was, besloten ze naar Rome te gaan. Met pauselijke goedkeuring betrokken zij in mei 1526 de kluizenarij San Cristoforo bij Camerino. Twee jaar lang leefden zij daar als kluizenaars. Gebed en handenarbeid vulden hun leven totdat de pest het hertogdom Camerino teisterde. Heldhaftig zetten zij zich in voor de verzorging van de zieken. Intussen bleef de crisis bij de observanten aanhouden. Broeders zochten contact met Ludovicus.  Zij konden hem overtuigen een hervorming op gang te brengen. Lucovicus en Rafaël richtten, door bemiddeling van Catharina Cibo een verzoekschrift aan haar oom paus Clemens VII. Na lang beraad vaardigde de paus op 3 juli 1528 de bulle ‘Religionis Zelus’ uit. Deze gaf de nieuwe broederschap het juridisch bestaan. De kapucijnerorde was geboren. De bulle bevatte volgende punten: verlof om een kluizenaarsleven te leiden en de regel van Franciscus te onderhouden, een baard te dragen en een pij met spitse kap en om voor het volk te preken.

Eerste aarzelende stappen.

Onmiddellijk na het bekend worden van deze bulle sloten observanten zich bij de eerste kapucijnen aan. Na enkele maanden bestond de orde al uit een redelijk aantal broeders en bezat reeds meerdere huizen. In april 1529 werd het eerste kapittel gehouden te Albacina en de eerste constituties uitgevaardigd. Daarin werd vooral de nadruk gelegd op het voorbeeld en de vermaningen van Franciscus en een getrouwe onderhouding van de regel en het testament. De orde verspreidde zich al vlug over heel Italië.

Twee omstandigheden zorgden ervoor dat uit de hervormingsbeweging onder leiding van Ludovicus iets anders groeide dan hij zich had voorgesteld. Allereerst de steeds grotere toeloop van observanten uit alle delen van Italië. Zij meenden eindelijk bij de kapucijnen hun idealen te kunnen verwezenlijken. De tweede omstandigheid was het optreden van Ludovicus zelf die het apostolaat sterk wilde beperken en absolute voorrang gaf aan een contemplatief leven in eenzaamheid. Het kapittel van 1535 schaarde zich niet achter zijn ideeën en koos Bernardinus van Asti tot generale vicaris. Na een vergeefse poging het kapittel anders te doen stemmen weigerde Ludovicus gehoorzaamheid aan Bernardinus. Hij werd uit de orde gezet. Bijna tegelijk verliet ook Mattheus van Bascio de orde. Hij wilde absoluut zijn zwervend predikantenleven buiten de kloosters voortzetten. Dank zij het kapittel van 1535 lag de weg naar een nieuwe oriëntering nu open. Die nieuwe weg kreeg zijn definitieve vorm in de constituties van 1536 die vier eeuwen lang aan de kapucijnenorde een eigen cachet zouden geven.

Tien jaar oud belandde de kapucijnenhervorming in een diepe crisis. De generale vicaris Bernardinus van Ochino verliet de orde en sloot zich aan bij de hervormer Calvijn in 1542. Hij werd predikant. De kapucijnen werden geïdentificeerd met hun generale vicaris en werden daarom door Rome verdacht. Ze kregen preekverbod. Bovendien hadden de observanten in 1535 keizer Karel V gevraagd de ‘nieuwe sekte’, bedoeld de kapucijnen, niet in zijn rijk toe te laten. Rome bekrachtigde het keizerlijk verbod. De kapucijnen mochten zich niet buiten Italië vestigen. Niettegenstaande deze negatieve gebeurtenissen werden de kapucijnen door het concilie van Trente in 1563 erkend als authentiek franciscaans. Zij vestigden zich op Kreta in 1569. Ook het verbod om zich buiten Italië te vestigen werd in 1574 opgeheven. Daarop vestigden zij zich in Frankrijk (1574), Spanje (1578), Zwitserland (1581) en de Nederlanden (1585).

III.  DE KAPUCIJNEN IN DE NEDERLANDEN:  1585 – 1796

De Nederlanden kenden al vele jaren oproer en verzet tegen de Spaanse overheersing maar ook strijd tussen Calvinisten en katholieken. In 1579 raakten Noord en Zuid gescheiden. Alexander Farnese moest orde op zaken stellen. In korte tijd veroverde hij bijna alle Vlaamse en Brabantse steden. De kapucijnen van de Parijse provincie besloten op hun kapittel van 1585 medebroeders naar Antwerpen te zenden voor een eventuele vestiging van de orde. In 1586 vestigden zij zich op de Paardenmarkt. Weldra kreeg het klooster zijn religieuze onafhankelijkheid tegenover Parijs.

Toen in 1595 het commissariaat 12 kloosters telde werd de tweetalige Nederduitse provincie opgericht. Omwille van het groot aantal religieuzen (699) en kloosters (40) werd in 1616 deze tweetalige provincie opgedeeld in de ‘provincia Flandria’ en de ‘provincia Wallonia’. Ze zouden voortaan hun eigen weg gaan.

Tijdens de oorlogen van Spanje tegen Frankrijk in de zeventiende eeuw werden heel wat steden van de Spaanse Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd. Na de vrede van Nijmegen (1678) werd de provincie van Rijsel opgericht. Tot deze nieuwe provincie behoorden kloosters uit de Waalse en Vlaamse provincie. Vanaf 1682 werd bij de Luikse kapucijnen een separatistische tendens zichtbaar. Dit leidde in 1704 tot de oprichting van de Luikse provincie.

Armoede en gemeenschappelijk leven.

De kapucijnen bezaten geen huizen, hoeven, landerijen, of vaste inkomsten. Franciscus wilde dat zijn broeders ‘als pelgrims en vreemdelingen in deze wereld in armoede en deemoed de Heer zouden dienen’. Ze moesten leven van hun arbeid en als dit niet voldoende was, mochten ze gaan bedelen. Door het weigeren van vaste inkomsten werden andere vormen gezocht om in het levensonderhoud te voorzien. Dienstbetoon werd meestel vergoed in natura. Kloosters genoten meestal vrijstelling van accijnzen en belastingen en de openbare besturen gaven bovendien ook regelmatig allerlei giften en vergoedingen. Dikwijls werden de gebouwen op stadskosten onderhouden en hersteld. In de stadsrekeningen vindt men ieder jaar dezelfde uitgaven genoteerd voor miswijn, soms tafelwijn, bier, vlees, brandhout en medicamenten. De vele schenkingen van zovele anonieme mensen tijdens de jaarlijkse bedelronden waren een belangrijke bron van inkomsten voor het klooster.

Pastorale inzet

De katholieke reformatie legde vooral het accent op onderricht en prediking. De kapucijnen in de Nederlanden hebben zich volledig ingeschakeld in deze nieuwe pastoraal. Toen zij in 1585 in de Nederlanden aankwamen, was er een groot tekort aan prediking en onderricht. De bestaande orden waren door de protestanten zodanig belasterd en verguisd dat ze alle zelfvertrouwen hadden verloren. De kapucijnen hadden daar geen last van, integendeel. Als de mensen niet naar de kerk kwamen, zo meenden zij, dat moeten wij ze gaan zoeken waar ze te vinden zijn. Daarom hielden zij hun predikaties op de kruispunten van drukke straten. Zij gingen bij het uitvoeren van doodsvonnissen bij de galg staan om daar een boetepreek te houden. Zij trokken de aandacht door het organiseren van een geselprocessie. Later vervulden zij hun preekbeurten als vaste predikanten voor advent, vasten, feestdagen en zondagen. Het preken in eigen kerken werd niet bevorderd en beperkte zich meestal tot predikaties bij franciscaanse feestdagen.

Het veertigurengebed heeft zijn oorsprong in de verering van de 40 uren die Jezus in het graf lag. Vanaf de zestiende eeuw werd in Italië dit gebed verbonden met de uitstelling van het heilig Sacrament. De kapucijnen ijverden voor de verspreiding van deze devotie. In onze streken werd het voor het eerst georganiseerd in 1595 te Doornik. Daarna hield men het jaarlijks in alle kloosterkerken. Andere orden namen die gewoonte over en in het midden van de achttiende eeuw hield men het in alle parochiekerken.

Tegenover biechthoren in eigen kerk stonden de kapucijnen in het begin zeer weigerachtig. Men hielp de pastoors van de parochiekerken bij het biechthoren. Vanaf 1620 kregen sommige kloosters toelating om biechtstoelen in hun kerk te plaatsen. Het duurde nog bijna een eeuw voor alle kloosterkerken de mogelijkheid tot biechthoren boden.

In het begin van de zeventiende eeuw begon men te ijveren voor een veelvuldige communie. Het merendeel van de gelovigen hield zich aan de jaarlijkse paascommunie en paasbiecht. Stilaan kwam daar verandering in. Dagelijks communiceren bleef wel beperkt tot enkele uitzonderingen naar de  wekelijkse en vooral de maandelijkse communie kende vanaf  1630 grote bijval. In de kapucijnenkerken begon men er mar mee rond 1726, toen ook het  biechthoren in de eigen kerken algemeen was geworden.

Het catechismusonderricht was een van de grootste vernieuwingen van de katholieke contrareformatie. De voornaamste geloofswaarheden werden overgebracht in ene reeks vragen en antwoorden aangepast aan het bevattingsvermogen van de kinderen en de volwassenen. Dit onderricht had plaats in de eigen kerk of in de parochiekerk, soms ook in een of andere school. Het gebeurde gewoonlijk na de middag. De leergang werd overal besloten met een prijsuitdeling van rozenkransen en prentjes. Als bekroning van de lessen werden ook toneelspelen opgevoerd.

In reactie tegen het protestantisme kreeg de heiligenverering een belangrijke plaats in de katholieke godsdienstbeleving. De kapucijnen bleven daarbij ten achter.  De devotie tot Maria was overal aanwezig. De preekbundels uit het midden van de zeventiende eeuw handelden over haar feestdagen of eretitels. Overal trof men broederschappen aan onder haar bescherming. In enkele kapucijnenkerken werd een of ander Mariabeeld speciaal vereerd. Kapucijnen begeleidden bedevaarders naar bekende heiligdommen in de Nederlanden. Geen enkele bedevaartsplaats had zoveel succes als Scherpenheuvel.

Populariteit van de kapucijnen

Het aanzien bij het volk hebben de kapucijnen in de Nederlanden te danken aan hun volkse predikatie en aan de manier van omgaan met de mensen. Soepuitdeling was in alle kloosters een gewone vorm van liefdadigheid. Samen met de andere bedelorden hielpen de kapucijnen bij branden en vele steden brachten hun blusmateriaal bij hen in bewaring. Dikwijls paste men het asielrecht in kerk en klooster toe voor misdadigers en voortvluchtige militairen. Meestal zorgde dit voor een moeilijkheden met de burgerlijke of militaire overheden. In oorlogstijden trachtten kapucijnen plunderde soldaten tot redelijkheid te brengen, verzorgden gewonden, begroeven gesneuvelden, stonden krijgsgevangenen bij, of gaven daklozen een onderkomen in hun kloosters. Soms kwamen ze tussenbeide ten voordele van de bevolking om de terugtrekking van troepen te vragen of met oprukkende legers te onderhandelen. De kapucijnen stonden te Oostende schipbreukelingen bij en te Eupen namen ze het in 1728 op voor een zigeunerin. Ook trokken ze zich het lot van gevangenen aan. Ze spraken voor hen ten beste, stonden ter dood veroordeelden bij,  preekten op de plaats van de terechtstelling, begroeven gehangenen of onthoofden. Overal verpleegden zij vol ijver en toewijding pestzieken. Meer dan 200 kapucijnen hebben tussen 1595 en 1669 hun leven gegeven in dienst van deze zieken. Vanaf het begin werden kapucijnen bij het sterfbed van de mensen geroepen. Na enkele jaren groeide hieruit het apostolaat bij het ziekbed. Wekelijks bezocht iemand alle zieken van de  stad. Belezeningen en zegeningen waren voor vele kapucijnen vaak voorkomende bezigheden in de hoop daarmee gewone volksmensen te troosten en te helpen. In verscheidene kloosters bestond een armenapotheek. Kruisen, gekweekt in eigen tuin werden gratis gegeven aan armen, zieken, vrienden en weldoeners. Het patiëntiekruid van de kapucijnen is in het volksgeloof spreekwoordelijk geworden en werd zelfs aangeraden aan ontgoochelde meisjes die aan geen passend minnaar geraakten.

Schrijvers

Kapucijnen publiceerden op allerlei gebied pamfletten, devotieboekjes, toneelstukken, dichtwerken en muziekstukken. De meeste publicaties waren van apologetische of polemenische aard of kunnen gerangschikt worden bij de vrome lectuur. Als uitgever van plaatwerk komt Karel van Brussel (van Arenberg) met zijn Flores Seraphici. De theologische werken waren meestal op de praktijk gericht: handboeken voor theologie, traktaten over toen actuele vraagstukken en preekbundels. Meer aandacht verdienen onze grote geestelijke schrijvers met namen als: Gabriël van Antwerpen (Tibanti), Benedictus van Canfield, Bonaventura van Brussel (Speeckaert), Constatinus van Barbençon (Paunet), Johannes Evangelista van ’s-Hertogenbosch (van Scharen) en Angelus van Nijvel (Saceius). Lucas van Mechelen (Gomez). De kapucijnen hebben de vaderlandse mystiek in de eerste helft van de zeventiende eeuw nieuw leven ingeblazen. Op menig punt hebben zij de traditie van de middeleeuwse (Nederlandse) vroomheid voortgezet.

Het Jansenisme in de Vlaamse provincie

In de Vlaamse provincie werd het Jansenisme de aanleiding tot diepe verdeeldheid en twist vooral tussen 1670 en 1717. Deze geesteshouding stond gelijk met een rigide gestrengheid en met een reactie tegenover wat men noemde een lakse moraal. Dit uitte zich vooral in de biechtstoel maar ook in een terughoudendheid tegenover het veelvuldig communiceren en bepaalde uitingen van Mariadevotie. De moeilijkheden begonnen toen enkele religieuzen zich als ‘inquisiteurs’ opwierpen. Dat leidde tot onverdraagzaamheid, partijvorming en al of niet valse beschuldigingen. Heel die inquisitiemethode en roddelpraktijk kregen bovendien gehoor bij het generaal bestuur. Herhaaldelijk kwamen in deze periode de generale ministers of hun afgevaardigden orde op zaken stellen. In 1695 benoemde de generale minister eigenmachtig nieuwe oversten. In 1702 werd het democratisch recht om eigen oversten te kiezen helemaal afgeschaft. Drie drastische maatregelen leidden tot nog meer moeilijkheden. De generale minister Michael-Angelus van Raguse kwam na de visitatie in 1717 tot het besluit dat dit democratisch recht onder valse voorwendsels was ontnomen. Hij gaf de provincie al haar rechten terug.

Missionair apostolaat

Vanuit Vlaanderen ging men in 1609 naar Rijnland-Westfalen. In 1618 werd een klooster gesticht te Charleville, uitsluitend voor Ierse kapucijnen die van hieruit de Ierse missie en custodie stichtten. In 1620 werden plannen gemaakt om in Engeland en Schotland te gaan missioneren, maar het bleef bij plannen. Van 1626 tot 1644 waren kapucijnen werkzaam als missionaris in de zgn. ‘Hollandse missie’. Enkele kapucijnen vertrokken als missionaris naar Zuid-Amerika en Kongo, o.a. Joris van Geel (Willems) die ons tot oudst gekende Kongolees-Spaans-Latijns woordenboek heeft nagelaten. Ook waren de kapucijnen uit onze streken werkzaam in Syrië, Martinique, de Antillen; in Louisiana (Mississippi), in de Dominicaanse Republiek en Haïti.

Kapucinessen

De kapucinessen ontstonden te Burburg. Weduwe Francisca Maes-Taffin uit Sint-Omaars werd als kandidate in 1614 te Parijs geweigerd omdat zij een ‘vreemde’ was. Zij had als leidsman de kapucijnen Augustinus van Bethune (Galland). Met zijn goedkeuring en steun vroeg zij aan de plaatselijke bisschop om haar huis te Burburg tot klooster in te richten. Toen er op andere plaatsen kloosters bijkwamen vroeg zij door bemiddeling van de provinciaal van de kapucijnen te Rome de goedkeuring voor haar congregatie. Op 2 juni 1618 verkreeg ze de pauselijke goedkeuring. De constituties werden opgesteld. In 1630 werden ze door de paus behartigd. Bij de dood van de stichteres in 1642 waren er reeds twaalf kloosters. Later kwamen er nog zeven bij. De zusters volgden de regel van de derde orde van Franciscus, leefden als slotzusters en stonden onder het gezag van de plaatselijke bisschop.

Opheffing van de orde

In de tweede helft van de achttiende eeuw kwam er een reactie tegen het kloosterleven op gang. De kloosters en abdijen waren nutteloos voor de gemeenschap, te rijk en te machtig. De kapucijnen vielen niet onder het decreet van 17 maart 1783 over de afschaffing van de nutteloze abdijen en kloosters. Zij maakten zich sociaal, religieus en caritatief verdienstelijk in de zielzorg en maatschappij. Bovendien bezaten zij bijna geen materiële goederen. Toen de Oostenrijkse Nederlanden in 1795 bij Frankrijk werden ingelijfd was de opheffing van de religieuze orden niet ver meer af. Het decreet verscheen op 1 september 1796. Tegen de opheffing ontstond er weinig weerstand. Het bleef beperkt tot schriftelijk protest en hier en daar wat handgemeen. De uitdrijving had plaats vanaf  november 1796.

Alle priesters moesten de eed van haat aan het koningschap en trouw aan de republiek afleggen. Bijna alle kapucijnen weigerden. Onbeëdigde priesters hadden de keuze tussen onderduiken of vluchten om te ontsnappen aan deportatie. Een dertigtal kapucijnen werden gedeporteerd naar Rhé, Oleron of Guyana terwijl vele anderen in de gevangenis terecht kwamen. Op 9 november 1799 kwam Napoleon aan de macht. De eed van haat aan het koningschap werd vervangen door een eenvoudige belofte van trouw aan de grondwet. Begin 1800 werden de gevangen priesters vrijgelaten en mochten de gedeporteerden terugkeren. Op 15 augustus 1801 werd het concordaat tussen Frankrijk en Rome afgekondigd. De religieuzen waren bitter ontgoocheld. Het concordaat bepaalde niets over kloosters. Recht om te protesteren hadden ze niet, omdat de wereldgeestelijken als vergoeding ontvingen, wat men hoofdzakelijk van kloosters en abdijen had gestolen. Deze nieuwe toestand scheen dan ook het kloosterleven onmogelijk te maken. Vanuit Rome schreef de generale procurator op 17 september 1803 aan de provinciaal, Godfried van Aals (Willick). Hij moest zich aan de nieuwe toestand aanpassen en zichzelf en zijn gewezen medebroeders beschouwen als eenvoudige wereldgeestelijken, onder het gezag van de plaatselijke bisschop. Wie wilde mocht naar een streek gaan waar de orde niet afgeschaft was om daar het religieus leven verder te zetten.De kapucijnen woonden na de opheffing zoveel mogelijk samen in burgerhuizen. Door de vervolging van de onbeëdigde priesters leefden ze daarna meer verspreid. Na de afkondiging van het concordaat zochten ze elkaar weer op. In vele Vlaamse steden werden kleine residenties ingericht die geleidelijk aan uitstierven. Anderen bleven waar ze waren. Ze leefden van hun pensioen, van hun werk in het onderwijs of in parochies of van de steun van vrienden en familieleden. Weer anderen verdienden hun kost door handenarbeid als schoenmaker, tuinier of kok. Na het concordaat werden verschillende kapucijnen voorlopig of blijvend aan een kerk verbonden als mislezer, biechtvader, kapelaan of pastoor of bewezen dienst in gevangenissen of gasthuizen. Vanuit Brugge waar men, dank zij vrienden en weldoeners, het klooster nagenoeg altijd bleef bewonen zou het kapucijnenleven weer ingericht worden in onze streken.

IV.  DE KAPUCIJNEN IN BELGIE: 1802 – 2002

Een nieuwe dageraad: 1802-1844

In 1797 werden vierendertig kapucijnen uit hun klooster te Brugge verdreven. Johannes Baptista van Erembodegem (Verbruggen), huurde op 2 maart 1802 het klooster te Brugge voor zichzelf en voor alle kapucijnen die er wilden wonen. Tien medebroeders namen er hun intrek. In 1802 kon men nog niet echt aan een herstel denken. Het kloosterleven zelf bleef ook na het concordaat afgeschaft.

Aan een heropleving van het kapucijnenleven werd maar ernstig gedacht in 1815, toen het Koninkrijk der Nederlanden tot stand was gekomen. Op 16 april 1816 werd Serafinus van Oostende (Catry) aangesteld tot commissaris generaal van de Vlaamse provincie. Zijn opdracht was niet de verspreid levende kapucijnen bijeen te brengen maar wel nieuwe kandidaten op te nemen. Maar ook onder koning Willem I bleef het kloosterleven afgeschaft. Na het overlijden van Serafinus werd Benedictus van Testelt (Milis), sedert 1817 pastoor te Aarsele, commissaris. Zijn bestuur begon weinig bemoedigend en deze toestand bleef zo tot aan de onafhankelijkheid van België in 1830. In 1831 werd het onafhankelijke België een constitutionele monarchie. De liberale grondwet verzekerde de vrijheid van godsdienst en recht op vereniging. De Kerk speelde daar al te graag op in. De situatie van de kapucijnen echter in het nieuwe België was niet hoopgevend. In 1831 waren er nog ongeveer zestig kapucijnen die de Franse Revolutie overleefd hadden. Daarvan woonden er slechts zeven in het klooster van Brugge: één priester en zes broeders. Toen de commissaris Benedictus van Testelt (Milis) op 7 januari 1832 overleed duurde het tot december 1832 eer zijn opvolger Johannes Evangelista van Aarschot (Vervoort) tot custos werd aangesteld. Hij kon op 8 december 1832 Justus van Tielt (Coussens) tot de professie toelaten. Op die dag ook trokken de kapucijnen hun pij weer aan. Het herstel van de orde was een feit maar een echte heropbloei liet op zich wachten.

Door de aanwezigheid van drie Nederlanders te Brugge zou het samengaan met Velp groeien. Vanaf 1836 kwamen sporadische contacten tot stand. Velp had geen plaats meer voor het groeiend aantal novicen. Men zocht een tweede klooster te openen. Op vraag van de kapucijnen te Brugge kwam Bernardinus van Uden (Van der Voort) voor overleg naar Brugge. Hij besprak de situatie met Bernardus van Ronse (Van den Daele). Na gesprekken met de medebroeders te Brugge schreven beide oversten naar Rome om de vereniging aan te vragen. Op 30 september 1845 werd de Hollands-Belgische custodie opgericht, met een totaal van 40 leden. Op 9 september 1857 werd deze custodie tot provincie verheven met 103 geprofeste leden. Op 12 mei 1882 echter werd deze provincie opgesplitst in een Nederlandse en een Belgische. De Belgische provincie begon met zes kloosters en 99 leden. Het aantal leden nam van jaar tot jaar toe. Tot 1910 gemiddeld met 8 of 9. In 1910 waren er 337. Tussen de twee oorlogen bleef het aantal stijgen. Van 380 in 1918 naar 499 in 1940. Het bereikte zijn hoogtepunt in 1944 met 510. Op het herhaald aandringen van de Waalse medebroeders werd op 4 juli 1958 de Belgische provincies gesplitst. De Waalse custodie zou voortaan haar eigen weg gaan. Bij de splitsing waren er 432 Vlamingen en 52 Walen. Van dan af gaat het ledenaantal in dalende lijn. In 1970 waren er nog 362 en in 1979 281. Een vermindering met 151 leden. Samen met de veroudering en de vergrijzing zou deze situatie een heel eigen problematiek op gang brengen. In 1980 waren er 275 leden. Na de oprichting van de provincie van Centraal-Canada in 1986 bleven 214 geprofesten lid van de Vlaamse Provincie. Na de oprichting van de vice-provincie generaal van Zaïre op 1 mei 1994 bleven 159 medebroeders lid van de Vlaamse Provincie. Begin 2002 behoorden 133 kapucijnen tot de provincie. 96 in Vlaanderen, 35 in Pakistan en 2 in Congo.

Een nieuw loot aan een oude stam: 1845-1882

Op vele punten was de samenleving vanaf 1794 grondig door elkaar geschud. Toch namen de kapucijnen na die moeilijke periode de draad weer op. Zij richten hun leven in volgens de 'oude en loflijcke maniere van leven' van vroeger. Het was alsof zij uit een kwade droom ontwaakten.

Geheel in de lijn van de traditie organiseerde de orde haar werkterrein met een duidelijke voorkeur voor de gewone mensen. Men bereikte hen door predikatie in allerlei vormen zoals volksmissies, aanbiddingsdagen, recollecties, vastensermoen, triduüms, octaven, het verspreiden van volksdevoties en het biechthoren. Daarbij kwamen de traditionele activiteiten in de eigen kloosterkerk zoals de dinsdagen ter ere van sint Antonius, de Portiuncula-aflaat, de kruisweg, de rozenkrans.

De reactie op de sociale en industriële ontwikkelingen was bij de kapucijnen dezelfde als in de Kerk. Tegenover de nood en de verpaupering moest de christelijke caritas beoefend worden. Een treffend voorbeeld hiervan is het foor- en woonwagenwerk dat in 1869 te Antwerpen begonnen werd door Celestinus van Wervik (Daubresse) samen met Constance Teichmann. Onder hun impuls breidde het zich uit naar andere steden. In het begin wilde men het godsdienstig leven bevorderen. Alle aandacht ging naar de doop van volwassenen en kinderen, eerste communie, het sluiten en regulariseren van huwelijken en de kerkelijke begrafenis. Al vlug werd duidelijk dat de materiële en sociale verheffing van deze groep marginalen medebepalend is voor hun godsdienstig leven.

Op de vooravond van een nieuwe tijd: 1882-1914

De schoolstrijd van 1879-1884 en de sociale kwestie, met zijn onrustwekkende en antigodsdienstige vormen, maakten ook de kapucijnen bewust dat een nieuwe tijd aangebroken was. De felle opmars van het socialisme bracht de sociale kwestie bij de leidende katholieken in het middelpunt van de belangstelling. Het socialisme werd door de katholieke kerk en de burgerij ervaren als een aantasting van het establishment en een bedreiging van de godsdienst. Arbeiders sloten massaal aan bij de socialistische beweging en bleven uit protest weg uit de kerk. De katholieken beseften dat zij een tegenbeweging op het getouw moesten zetten. De sociale congressen te Mechelen van 1886 tot 1891 probeerden een antwoord te vinden op deze uitdaging. De sociale kwestie was niet zozeer een probleem van ontkerstening en moreel verval maar vooral een probleem van een samenleving in verandering. Er waren eigen katholieke organisaties nodig die de materiële, sociale en politieke rechten van de arbeider moesten behartigen. Alleen op die manier kon de massale overgang van de werkende mensen naar het socialisme gestuit worden. In dit klimaat groeide ook bij de kapucijnen de aandacht voor maatschappelijke problemen. De jongeren onder hen begonnen zich actief in te zetten in meer moderne en gespecialiseerde vormen van apostolaat.In 1884 trad de markante persoonlijkheid van de generale minister, Bernardus van Andermatt, op de voorgrond. Hij hervormde grondig de generale curie en centraliseerde de diensten te Rome. Hij stichtte een officieel communicatieblad voor de gehele orde. Hij visiteerde alle provincies, moedigde de religieuzen aan en greep desnoods hardnekkig in. Vooral besteedde hij grote aandacht aan de hervorming van de studies, de oprichting van kleinseminaries en stimuleerde een voortgezette universitaire opleiding. Voor hem moesten contemplatie en actie samengaan. Door verwerping van de 'wereld', strenge religieuze tucht, gebedsgeest en apostolaatsijver moest de orde zich weer oprichten en zich in de moderne tijd engageren. Dank zij de rusteloze inspanningen van zijn vierentwintigjarig beleid bereikte de orde die doelstellingen. Deze man heeft ook in de Belgische provincie duidelijk sporen achtergelaten.

De grote oorlog en het interbellum: 1914-1940

Na de grote oorlog ontstond een groeiende spanning tussen activiteit in het apostolaat en de overgeleverde kloosterlijke levenswijze. De nieuwe vormen van apostolaat stuitten op de weerbarstigheid van de traditionele levenswijze. De manier van leven van de kapucijnen werd nog altijd bepaald door een strak uurschema, verspreid over heel de dag. De dagorde, zeer belangrijk voor de reguliere observantie, liet bijna geen ruimte open voor nieuwe en buitengewone werkzaamheden. Nieuwe vormen van apostolaat waren maar mogelijk als allerlei uitzonderingen en vrijheden werden toegestaan. Een aantal medebroeders, zeker de oversten, beschouwden die uitzonderingen en afwijkingen van het dagschema als tekenen van verval en achteruitgang van het religieuze leven.

De reactie op deze activiteitsdrang en vermeende misbruiken was vrij scherp. Een ascetische, devotionele en contemplatieve reformatie werd doorgevoerd.  Deze hervorming maakte gebruik van de algemene tendens naar verinnerlijking van het religieus leven. Aan beschouwing en mystiek werd de voorkeur gegeven boven apostolaat. Een deel van de kapucijnen keerde op zichzelf en greep naar het houvast van de vertrouwde kloosterlijke geborgenheid. Een streng observantisme was het gevolg. Op deze ascetische beweging ontstond later een tegenbeweging. Het werd een reactie tegen de te sterke nadruk op het contemplatief aspect van het kapucijnenleven.

Het kerende tij: 1940-1960

In de jaren na de tweede wereldoorlog veranderde de samenleving snel en grondig. De economische groei, de opkomst van de welvaartstaat en de consumptiemaatschappij, de groeiende greep van de techniek, de mondialisering, de democratisering van het onderwijs waren de belangrijke ontwikkelingen. Zij gingen enigszins aan de statisch georganiseerde kerk en de kapucijnenorde voorbij maar oefenden toch stukje bij beetje grote invloed uit.

Zo sloop de materiële welvaart eerst langs kieren en spleten en later door open deuren en ramen naar binnen. Er kwamen fietsen en auto's, geldgebruik werd heel gewoon, en er werd gerookt om de kamers. Men las tijdschriften en kranten en de bibliotheken werden aangevuld met boeken vol nieuwigheden. Nieuwe ideeën en kritische opvattingen vonden hun weg. Vanaf 1955 drongen de vernieuwing, het kritisch onderzoek en het experimenteren ook de kloosters binnen. Het waren immers positieve waarden geworden in de rest van de samenleving.

Tegelijkertijd werden de Vlaamse kapucijnen zich pijnlijk bewust van de geruisloze afval van het kerkvolk. Daarbij kwam dan nog het functieverlies van de orde in de maatschappij en het verminderen van de roepingen. Niettemin werd er veel en hard gewerkt. De provincie gaf allen voldoende ruimte. Toch wekte zij de indruk dat alles niet als haar eigen werk en eigen specifieke rol te beschouwen waarvan zij de continuïteit kon verzekeren.

De grote onverwachte wending kwam er in 1959 met de aankondiging van het tweede Vaticaans Concilie. Lang gekoesterde verlangens en onderdrukte kritieken schoten als een geiser omhoog. Veel hoop werd gewekt. De kerk zou op zoek gaan naar een dialoog met de zo snel veranderde wereld. Ze zou aandacht krijgen voor de werkelijke noden van de mens en samenleving. Er werd gesproken en geschreven over een overgang van massakerk naar een conglomeraat van lokale gemeenschappen. Van hol geworden rituelen naar spontane uitingen van religiositeit. Van veroverende missionering naar hulp en bevrijding, rechtvaardigheid en vrede. Van onaantastbaar leergezag naar tastend zoeken in geloof. Van dominerend besturen naar dialoog. Van gesloten maatschappij naar een feilbare gemeenschap. Ook voor de kapucijnen waren die jaren zestig en zeventig een periode van exuberant veranderen, aanpassen, vernieuwen en experimenteren. Een periode ook van herbronning van het religieuze leven.

Het concilie vroeg aan alle religieuze instituten zich te bezinnen op hun oorsprong en op de tekenen van de tijd. Vanaf 1966 werd deze bezinning in de kapucijnenorde op gang gebracht. In 1966 bereidde een commissie, waarvan ook Vlaamse kapucijnen deel uitmaakten, een eerste tekst van de nieuwe constituties voor. Het eenvormige kapucijnenleven veranderde zowel uiterlijk als innerlijk. De kroon werd afgeschaft, het burgerpak verving de pij, de baard werd facultatief, discipline, kloosternaam en blote voeten verdwenen. Het kapucijnenleven werd een pluriforme leefwijze. Een gemeenschappelijke visie vond men belangrijk maar individuele beleving en vrijheid in de vormgeving wogen even zwaar door. Na een periode van verwarring en ontgoocheling maar ook van verwachting en blijvende hoop kwam een evenwicht tot stand. Ieder mocht ervaren dat geen eisen gesteld werden die zijn krachten te boven gingen.

De toekomst eist ons op: 1980-2000

De Vlaamse provincie vertoont nu als groep de kenmerken van een oude man. Verlies aan fysieke weerbaarheid, aan psychische en intellectuele kracht. Verlies aan sociale waarde en status, aan reproductievermogen. Verlies aan relaties. Welke wegen staan nog voor hen open om aan deze evolutie te ontsnappen? Hoe doen zij het om op waardige en zinvolle wijze te leven als groep? Hoe organiseren zij hun leven zodat het leefbaar blijft? Op deze vragen zoekt de Vlaamse provincie een antwoord door de idee van broederschap te benadrukken. De herwaardering van de franciscaanse broederschap is voor haar een hoofdzakelijk en blijvend bindmiddel in de veelheid van concrete leefmodellen en pastorale en sociale engagementen. Aandacht wordt besteed aan de samenhang van de groep, aan de realiteit van haar zwakke en sterke kanten. Dit houdt ook in dat men als groep een nieuw identiteitsbesef opbouwt. Van binnenuit gaan we op zoek naar de getuigende waarde van ons leven. We geven voorrang aan het leven zelf. We zorgen er voor dat de fraterniteiten plaatsen van broederlijkheid en geestelijk leven blijven. Zonder macht en arm aan zichtbare invloed graven we dieper naar de bronnen van onze eigen spiritualiteit en traditie. Nu er niet veel grote werkzaamheden en projecten overblijven, kijken we naar wat ons wel gegeven is. Een concrete spiritualiteit die de eeuwen trotseert en die in nieuwe omstandigheden moet beleefd worden. Een broederlijk samenleven in biddende, gastvrije en dienstbare fraterniteiten, die betrokken zijn op alles wat medemensen meemaken en beweegt. Onze identiteit, werkkracht en overlingskansen hangen samen met de evangelische en franciscaanse bewogenheid waarmee wij in het leven staan.

SPIRITUALITEIT
LEVEN ALS BROEDERS MET EN VOOR DE MENSEN

Wij, minderbroeders-kapucijnen, zien vandaag onszelf als broeders, die vanuit een diepe Godsverbondenheid willen leven. Vanuit een broedelijk samenleven in een of andere fraterniteit trachten wij aan deze Godsverbondenheid concreet vorm te geven in een dienende levensstijl voor elkaar en met de mensen. Franciscus blijft daarbij, zoals bij de eerste kapucijnen, onze gids, ons model en ons voorbeeld. Een gids die wij stap voor stap volgen, een model dat wij willen  navolgen, een voorbeeld waardoor wij ons laten inspireren.

Leven vanuit een diepe Godsverbondenheid

Franciscus koos voor een leven waarin hij zich niets of niemand wilde toe-eigenen, maar al het goede wilde teruggeven aan God. Dat verlangde hij ook ten diepste van zijn broeders. "Laten wij al het goede teruggeven aan de Heer; laten wij al het goede als zijn eigendom erkennen; brengen wij de dank voor al het goede naar Hem toe, van wie al het goede voortkomt." (Regel 1221 hfst. 17,17). Franciscus wordt niet moe te wijzen op deze levenshouding. Om tot Godsverbondenheid te komen in ons leven, proberen we Hem op het spoor te komen in zijn schepping, in de tekenen van de tijd, in het leven van de mensen, in ons eigen hart. Onze eigenliefde verlaten om te gaan leven in gemeenschap met God en de mensen. Ons gebed, samen met de andere broeders, wordt zo geen vlucht uit de werkelijkheid maar bezielt ons werk en ons samenleven met anderen.

Tot vrijheid geroepen

Leven in een fraterniteit stelt heel concrete eisen. Allereerst een sfeer scheppen waarin elke broeder zich vrij kan ontplooien. Franciscus zelf is er van overtuigd dat elke mens, elke christen, elke broeder, zijn persoonlijke vrijheid realiseert door te luisteren naar anderen. Het is voor hem een manier van leven, een fundamentele optie, een levensopgave. Om een broeder te zijn voor anderen is het dus belangrijk goed naar hen te luisteren, horen wat hij of zij zegt of nodig heeft. Als je zelf in moeilijkheden zit of een crisisperiode doormaakt, moet je voelen dat je broeder voor jou als een echte moeder is, zoals Franciscus zegt. Daarmee bedoelt hij: iemand die aandacht heeft voor jou en ontvankelijk is voor jouw probleem., Als je een fout begaat, moet je ondervinden dat anderen je daarom niet afschrijven en je willen vergeven. Als je ziek wordt, moet je durven vragen wat je nodig hebt. Luisteren naar elkaar en elkaar horen is dus elkaar van harte dienen in navolging van Jezus van Nazaret, die mens werd niet om gediend te worden, maar om te dienen.

Ongehuwd omwille van het rijk Gods

Een open, optimistische, vertrouwelijke sfeer in een fraterniteit, maakt het ook voor iedereen mogelijk zijn affectiviteit te ontwikkelen. Ongehuwd leven omwille van het rijk Gods mag niet betekenen dat je affectiviteit verschrompelt. Kijk naar Franciscus, naar zijn rijkdom aan gevoelens en affectiviteit en naar zijn vermogen deze tot uitdrukking te brengen. Hij was vol liefde tot God, maar ook vol liefde voor alle mensen en alle schepselen. Hij was vriend en broeder van allen en alles.

In een fraterniteit en voor anderen, een broeder zijn, betekent dan je eigen gevoelens doorleven, relaties aangaan en beminnen. Daarbij blijft het een levenslange opgave iedere keer weer de weg te gaan van je egoïstische, hebzuchtige liefde naar belangloos zich geven aan anderen in de fraterniteit en naar buiten. Eenzaamheid, onrust, dorheid zijn ook ons deel, maar als we er iedere keer weer doorheen komen, leven we verrijkt en vernieuwd verder. Als we met een onverdeeld hart Jezus volgen en elkaar als vrienden en broeders dienen, stellen we en profetisch teken dat het rijk Gods reeds midden onder ons is.

Als minderbroeder ten dienste van de mensen

Leven in een fraterniteit van minderbroeders vraagt van ons dat wij als minderen ons gezamenlijk inzetten opdat alle mensen een leven hebben, dat kinderen van God waardig is. De beschouwing van Jezus Christus, arm en gekruisigd, getuige van de liefde van de Vader voor alle mensen, bracht Franciscus ertoe deze Christus ook te erkennen, te beminnen en te dienen in de mensen. Onze keuze om minderbroeder te zijn betekent dan ook dat wij broederlijk en vreugdevol alle mensen nabij zijn, beschikbaar met onze talenten, onze tijd en onze materiële middelen. Het doet ons iets dat zoveel mensen in armoede leven, onrechtvaardig worden behandeld, honger hebben. In navolging van Jezus Christus willen wij broeders en dienaars zijn van de mensen, met al onze gaven en talenten. De beleving van de evangelische armoede leidt ons tot solidariteit met de kleinen in onze wereld, tot delen met behoeftigen, tot een sobere en eenvoudige levensstijl, tot verzaken aan iedere vorm van sociale, politieke of kerkelijke macht, tot werken aan rechtvaardigheid en liefde, tot het stimuleren van sociale en culturele ontwikkeling van de armen. Broederschap doodt geen individualiteit maar laat gegeven rijkdom tot uitbloei komen in het levende mozaïek van de verscheidenheid van een fraterniteit.

Ideaal en werkelijkheid staan ook bij ons niet altijd in verhouding tot elkaar. Maar als mensen, bewust van onze zwakheid, trachten wij toch – dikwijls in gebroken vormen – gestalte te geven aan wat ons ten diepste bezielt. Bij het streven naar vernieuwing van ons leven in fraterniteit blijkt dit een probleem van alle tijden te zijn.

Stan Teuns, kapucijn.

II.  FOTO'S,  ILLUSTRATIE

Vrede en alle Goeds

III.  LEXICON

LEXICON

Ad usum simplicem

Tot enkelvoudig gebruik.  Alle gebruiksvoorwerpen zijn gemeenschappelijk bezit, maar sommige konden gereserveerd worden voor ‘persoonlijk’ gebruik.

Albacina

Plaats in de Marken waar in 1529 het eerste kapittel van de kapucijnen plaats had en de eerste Constituties werden opgesteld.

Amore Dei

Ter liefde Gods.  Dit zei men, als men een publieke opmerking kreeg van een overste.

Bedelbroeder

Ging rond om te bedelen (graan, boter, eieren); hij overnachtte soms bij pastoors, maar moest vrijdag ’s avonds  terug in het klooster zijn.

Boerenpoort

De grote poort aan de tuinkant, waarlangs men met paard en kar het gebedelde eten binnenbracht.

Bondspater

De pater die aangewezen werd voor het maandelijks werk van de Heilig Hartebond  in een omliggende parochie (biechthoren en preken).

Boterpater

Zie bedelbroeder.

Canonieke visitatie

Officieel bezoek van een hogere overste of een visitator volgens de Constituties.

Capuccinus Indignus

Onwaardige kapucijn. Als teken van nederigheid werd deze betiteling toegevoegd aan de naamtekening in brieven en publicaties.

Capucinade

Een liturgische viering van kapucijnen op een geïmproviseerde en onverzorgde wijze.

Casus

Bijzonder geval. Een moraal-theologisch onderwerp dat door de paters op de maandelijkse recollectiedag na de vespers werd besproken. De paters moesten dit om beurt inleiden.

Cel

De kleine private ruimte voor elke kapucijn afzonderlijk.

Cilicium

Boetegordel.  Men zegt gewoonlijk cilicen.  Metalen of haren band, gedragen rond het blote lichaam, als boetedoening.

Colloquium

Samenspraak. Men zegt gewoonlijk colloque. Bij speciale gelegenheden mocht men aan tafel spreken, wat door de overste werd aangekondigd met de formule ‘Deo gratias’.

Commissaris van de Derde Orde

De landelijk verantwoordelijke pater, die werd aangesteld voor het visiteren en begeleiden van de lokale afdelingen van de Derde Orde, verbonden aan de kloosters.

Constituties

Het geheel van voorschriften, waarin vooral de motivatie van de kapucijnse beleving van de Regel en het Testament van Franciscus wordt omschreven.

Conventsmis

De dagelijkse mis tot intentie van de weldoeners , waarbij alle kloosterlingen aanwezig moesten zijn.

Coram

Oog in oog. Het moeten verschijnen voor een overste, meestal om een terechtwijzing te krijgen.

Culpa

Schuldbekentenis.. Men zegt gewoonlijk culp. Een wekelijks gebeuren, waarbij de kloosterlingen in het publiek hun tekortkomingen tegenover de kloostertucht bekennen.

Custodia

Voorraadcel.

Custos

Behoeder.  1. De naam van de overste van een custodie. 2. De naam voor de gekozen begeleider van de provinciaal op het generaal kapittel. (generale custos)

DefinItor

Een raadslid van broeder generaal of broeder provinciaal.

Delegatus van de derde orde

De afgevaardigde broeder, door de generaal aangesteld, om de landelijke Derde Orde te visiteren.

Deo Gratias

Dank aan God. Veelgebruikte formule van bevestiging of toelating.

Derde Orde

Vroegere benaming van de tegenwoordige Franciscaanse Lekenorde (F.L.O.).

Discipline

1. Kloostertucht. 2. Drie of vier kettingen aan een leren handvat om zich tijdens het reciteren van Psalm 50 (Miserere) te geselen. Dit gebeurde driemaal per week gemeenschappelijk  en noemde men ‘discipline doen’.

Discreet

1. Lid van de kloostergemeenschap, gekozen voor de kloosterraad. 2. Vroeger de gekozen afgevaardigde van de kloostergemeenschap voor het provinciaal kapittel.

Dodenofficie

Vroeger een verplicht reciteren van het dodenofficie, eenmaal voor een overleden vader of moeder van een medebroeder, tweemaal voor een overleden medebroeder.

Exemptie

Vrijstelling.  De orde staat kerkrechtelijk onder het gezag van de paus en niet van de plaatselijke bisschop.

Factotum

Doe alles. Een lekenbroeder, die geen speciale taak had gekregen maar bij alles moest helpen.

Frater

Broeder. Een broeder in opleiding tot het priesterschap, ook clericus genoemd.

Gardiaan

Overste van een klooster

Groot silentium

Grote stilte.  Het stilzwijgen, dat men stipt moest onderhouden van na het  avondgebed tot na de conventsmis.

Grote penitentie

Grote boetedoening.  Een zeer sobere maaltijd van haring en bonen, die men geknield voor de tafel nam ter voorbereiding van een groot feest of gebeurtenis.

Hospice (hospitium)

Logementshuis.  Een huis van broeders, dat niet de kerkrechtelijke status van klooster heeft.

Jado

Jeugdafdeling van de Derde Orde.

Kalot

Mutsje (keppeltje) van bruine stof, dat alleen gedragen mocht worden door de lekenbroeders na hun plechtige professie en door de clerici na hun priesterwijding.

Kaproen

Losse kap aan kort schoudermanteltje, gedragen door de novicen.

Kapucijnen

Deze benaming werd  ons gegeven door de  bevolking omwille van de lange puntige kap aan het habijt.

Koor (chorus)

Gebedsplaats achter het hoogaltaar, waar de kloosterlingen het officie bidden, meditatie houden en waar men vroeger discipline deed.

Kruisgebed

Het geknield zeggen van enkele gebeden voor de weldoeners met de armen in orantehouding (kruisvorm).

Lector

Lezer. 1. Een van de kleine wijdingen. 2. De benaming van de medebroeder die les gaf in de eigen studiehuizen.

Lokaal kapittel

De samenkomst van de kloostergemeenschap, vroeger vooral voor het kiezen van een discreet of het stemmen over de novicen en nu ook om het leven in de gemeenschap met elkaar te bespreken.

Lucarne

Vensterluik. Boven de celdeur om de cel te verluchten.

Maior Plena

Meer dan een volle dag. Een anderhalve dag van ontspanning van ’s middags tot ’s anderdaags ’s avonds. Meer recreatie dan gewoonlijk, geen nachtofficie, goed eten en toelating om te roken.

Martelaarsboek

Boek, waarin de feestdagen van de heiligen dag per dag staan opgesomd, met een korte levensbeschrijving.

Necrologium

De ‘lijst van overledenen’ (medebroeders) met een korte levensbeschrijving, voorgelezen op de avond vóór de verjaring van de sterfdatum.

Novice

De benaming van de medebroeder tijdens zijn noviciaatsperiode (proeftijd).

ObedientIe 

Gehoorzaamheid. 1. Het rechtsgebied van een hogere overste. 2. Officiële opdracht, uitgevaardigd door een hogere overste met de formule: ‘Uit kracht van de gehoorzaamheid…’.

Officie (officium divinum)

Het (goddelijk) dienstwerk. Het dagelijks getijdengebed (Breviergebed), dat  bestond uit Metten, Lauden, Prime, Terts, Sext, None, Vespers en Completen.

Oratorium

Gebedsplaats. Een kleine afzonderlijke bidplaats in de studiehuizen en het noviciaatshuis.

Pand

De door gangen omgeven vierkante binnentuin. Ook de gangen werden pand genoemd.

Pestpater

Vroeger de pater die zich het lot van de pestlijders aantrok en afgezonderd van de kloostergemeenschap leefde in het zogenaamde pesthuisje en als herkenning en waarschuwing een rode stok (peststok) meedroeg.

Portiunkelen

Meerdere volle aflaten verdienen na elkaar op Allerzielen en 2 augustus, ontstaan in Portiuncula (OLV-ter-Engelen) bij Assisi.

Postulant

Vrager. Iemand die in het klooster verblijft in het vooruitzicht om als novice aanvaard te worden.

Postulator

Iemand met een verzoek. Die medebroeder die het dossier voor een zalig- of heiligverklaring van een gestorven medebroeder behartigt.

Praesta Quaesumus

Verleen, zo vragen wij.  Een formule in vele gebeden in het Latijn. Met deze twee woorden werd de pater aangeduid, die wel de mis mocht lezen, maar geen iurisdictie had om biecht te horen.

Prostratie

Een ‘diepe kniebuiging’ in koor of refter, waarbij men de grond kuste.

Protector

Behoeder. De benaming van de speciaal aan de orde toevertrouwde Kardinaal om de orde te ‘beschermen’.

Provinciaal en

generaal kapittel

Periodieke samenkomst van de oversten en gekozen afgevaardigden op  provinciaal of generaal niveau om de belangen van te orde te bespreken en beslissingen te nemen.

Provincie

Een juridisch en administratief afgebakend gebied onder het gezag van een provinciaal bestuur. (Vlaanderen is één provincie)

Quêteur

Zie bedelbroeder.

Recollectie

Bezinning. Een dag van inkeer en bezinning onder leiding van de gardiaan.

Recreatie

Een tijd van ontspanning.

Refter       (refectorium)

De eetzaal van de kloostergemeenschap (plaats van herstel), die ook fungeerde als kapittelzaal en om in de winter rond de ronde potkachel (duiveltje) recreatie te houden.

San Damiano-kruis

Het kruis in het San Damianokerkje te Assisi dat tot Franciscus sprak: “Ga, en herstel mijn kerk”.

ScrutinIum

Onderzoek. Naam voor de stembeurt bij een verkiezing.

Senior

Oudere. De oudste pater die bij afwezigheid van de gardiaan of de vicaris, de leiding van de kloostergemeenschap op zich neemt.

Serafijns Seminarie

De eigen benaming van een college onder de leiding van kapucijnen, die er ook de lessen verzorgden.

Silentium

Stilte. De periode van stilzwijgen of de houding om zo min mogelijk te spreken  en indien nodig, met gedempte stem.

Socius

Gezel.  De broeder die de generaal, provinciaal of novicemeester (magister) bijstond. Ook een rustend missiebisschop had een socius.

Spens

Afkorting van locus dispensus, verdeel- en bewaarruimte. Een kleine ruimte naast de refter, waar de afwas werd gedaan en de toegang was tot de voorraadkelder.

Suffragia

Smeekbeden. De voorgeschreven gebeden en oefeningen voor overleden medebroeders.

Tau-kruis

Kruis in T-vorm, waarmee Franciscus zijn brieven ondertekende.

T. P. 

Afkorting van tertiarius perpetuus, eeuwige tertiarius. Hij verbleef in het klooster, droeg een habijt, maar had geen stemrecht.

Treinbriefje

Omdat een kloosterling geen geld op zak mocht hebben, schreef de gardiaan op een ‘speciaal briefje’ de bestemming van de treinreis. Aan het loket kon men dit voor een treinkaartje inwisselen.

Vicaris

Plaatsvervanger van de gardiaan.