Kapucinessen

 Startpagina

Kapucinessen

- Kapucinessen te Brugge
-
Kapucinessen te Gent
- Kapucinessen te Antwerpen
-
Kapucinessen te Bourbourg
en de plechtige professie bij de zusters
- Vertrouwvol op weg naar '400 jaar Kapucinessen'

- Vier je ook mee?
- Overlijdensbericht zuster Consolata te Bourbourg

In 1581 werd te Saint-Omer (Toen Sint-Omaar in Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFFIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Als kind verbleef zij twee jaar als pensionnaire bij de benedictinessen van Bourbourg (Broekburg). Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes, raadspensionnaris van de stad Bourbourg. Zij poogde haar leven als echtgenote en moeder te combineren met een vroom en ascetisch leven.

Toen haar man in 1614 overleed, kon zij haar droom – religieuze worden – realiseren. Haar geestelijk leidsman was een kapucijn. Zijn spiritualiteit beviel haar. Zij richtte haar woning als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter volgde haar daarin heel bewust.

Stilaan ontwikkelde hun leven tot een echt religieus leven. Twee begijnen voegden zich bij moeder en dochter. Later zou ook haar tweede dochter volgen.

De bisschop van Saint-Omer keurde de constituties goed. In hetzelfde jaar kreeg Francisca ook de toestemming van de magistraat. Het jaar daarop werden de eerste postulanten aanvaard.

Omdat de communiteit steeds maar aangroeide, begon men met de bouw van een klooster. De kerk werd in 1619 gewijd. De gemeenschap bestond toen reeds uit 22 leden.

In 1644 moest de communiteit van Bourbourg haar klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge en begonnen daar een nieuw kloosterleven. Acht anderen gingen naar Antwerpen en stichtten zo een derde communiteit.

In 1647 keerden drie zusters terug naar Bourbourg.

Vandanaf werden er meerdere kloosters in Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en ook Duitsland opgericht. Door de eeuwen heen verdwenen ze allen, buiten Bourbourg, Antwerpen en Brugge.

In Gent kwam er ook een gemeenschap tot stand die momenteel nog goed werkt.

Hier kwamen de kapucinessen op een heel andere manier terecht. Als stichteres mogen we eigenlijk de Weledele Vrouwe LOUISE VAN LORREINEN beschouwen.

Vrouwe Louise was weduwe van de prins De Ligne en nicht van de koningin van Frankrijk. Toen ze 42 jaar was (1637) werd ze kapucines te Douai (klooster dat door Françoise Taffin gesticht was in 1630). Zij nam de naam aan van zuster Clara Francisca van Nancy.

Politieke omstandigheden deden het later raadzaam vinden dat ze de wijk nam naar het Belgische Bergen. Zij stichtte daar een klooster (1644), waar zij, na een heilig leven, overleed in 1667.

Het was haar inzicht geweest een kapucinessenklooster te stichten in Gent.

Op haar sterfbed gelastte zij haar zoon, de prins de Ligne, met de uitvoering van haar plan.

Op deze manier hebben wij nu nog drie kapucinessenkloosters, waarvan drie in Vlaanderen.

Momenteel leven er in Gent nog 5 zusters, in Brugge nog 8, in Antwerpen nog 3 en in Bourbourg nog 4, waarvan één novice is.

Hun spiritualiteit is dezelfde als die van de kapucijnen. Maar bij hen ligt de klemtoon op de beschouwing. Zij zijn slotzusters.

ADRESSEN

- Monasrère de l’Immaculée, rue des Capucines 1, 59630 Bourbourg.
- Monasterium Morgenster, Marieënhovedreef 15, 8200 Brugge
- Zusters Kapucinessen, Keizersvest 5, 9000 Gent
- Zusters Kapucinessen, "St. Camillus", Lokkaardstraat 10, 2018 Antwerpen.

Kapucinessen te Brugge

We vermeldden reeds dat de Orde van de Kapucinessen in 1614 door FRANCOISE TAFFIN werd gesticht. Dat de eerste zusters een bloeiend ascetisch leven te Bourbourg leidden. Maar dat ze in 1644 deze stad moesten verlaten wegens oorlogsomstandigheden.
Acht van hen trokken toen naar Antwerpen. Zij stichten daar een nieuwe communiteit. Over hen hebben we in ons eerste nummer van deze jaargang geschreven.
Acht anderen gingen naar Brugge.
Over dezen en hun volgelingen willen we nu heel in ’t kort wat meer vertellen.

Mislukt begin

Toen de acht zusters op 7 september 1644 in Brugge aankamen, hadden zij zich niet verwacht aan een sterke tegenstand vanwege de plaatselijke bisschop. Gelukkig waren er onder die eerste zusters drie uit Brugge zelf. Zo konden zij voorlopig hun intrek nemen bij de moeder van één van hen.
Een edelman, de Heer de la Corte, die medelijden gekregen had met de zusters zonder woning, leende hen een schuur als onderkomen. Van daaruit konden zij – mits enkele verbouwingen – de eucharistie meevieren in de huiskapel van de edelman.
Ook andere invloedrijke personen bepleitten voor de zusters hun verblijf in Brugge. Maar de bisschop was onverbiddelijk. De zusters vlogen terug naar Bourbourg op 10 december 1645.

Aanvraag vanuit Brugge

Bleek heel hun plan op die manier in duigen te vallen, toch was het hachelijk verblijf van de kapucinessen in Brugge geen totale mislukking geweest.
Het geduld en de moed waarvan de zusters in ruime mate blijk hadden gegeven, bleven levendig bewaard in de herinneringen van de Bruggelingen. Zo wilde o.a. Jan van Pamele, een rijk man van aanzien, dat de zusters terugkwamen.
Toen de bisschop in 1649 stierf, trok de Heer van Pamele onmiddellijk naar diens opvolger. Deze stond open voor het nieuwe stichtingsplan. En Jan van Pamele schreef meteen naar Moeder Ancilla van Bourbourg met de vraag of zij met zes of zeven zusters, waaronder een tweetal uit Brugge zelf zouden zijn, naar zijn stad wilden komen.

Vertrek uit Bourbourg

Toen zijn brief in het klooster van Bourbourg aankam, lag Moeder Ancilla (Catherina) zwaar ziek. Zij had de ziekenzalving ontvangen.
Maar ze verbeterde vlug aanzienlijk en vroeg, zo gauw het mogelijk was geworden, aan de bisschop van Sint Omaars om toestemming voor de nieuwe stichting.
Zodra deze toelating er was vertrok Moeder Ancilla met zeven zusters. Onder hen bevond zich zuster Françoise Meigaert uit Brugge. Het was 19 maart 1652. Twee kapucijnen vergezelden hen als gids en leiding. De reis ging per boot.

Aankomst en moeizame stichting

Op 25 maart 1652 kwamen ze in Brugge aan. De Heer van Pamele wachtte hen op met zijn ‘carosse’. Hij ontving hen met uiterste blijdschap en bezorgde hen een voorlopig onderkomen bij de zusters Colletienen.
Nadat de Heer van Pamele voor hen een huis gehuurd had op de Steenhouwersdijk, stierf hij echter.
Dit was heel erg voor de jonge communiteit. Alles dreigde weer vruchteloos te zijn geweest.
Maar nieuwe weldoeners doken op: M. Tacquet, Heer van Leghem, de priester Souckaert, de heer Nollet, kannunik Vanderzipe, … mensen die nu eens een aarzelende bisschop, dan weer een weigerachtig Stadsbestuur moesten overtuigen en voor de nodige fondsen zorgden.
Ondertussen moesten de zusters meermaals verhuizen.
Op 20 juli 1656 – de officiele stichtingsdatum - bleek alles in orde te zijn. Maar drie jaar later werden zij weer uit hun huis gezet door een weinig godsdienstgezinde eigenaar.
Men kan deze woelige periode nalezen in het prachtig boekje van zuster Godelieve van het monasterium van Brugge, ‘Van Betlehem tot Morgenster’.
Uiteindelijk werd een mooie plaats voor hen gekocht tussen de Sint Katelijkestraat en de Visspaanstraat waar het eigenlijke klooster zou oprijzen. Op 19 april 1701 konden de zusters er hun intrek nemen.

De 'suppressie'

Een tachtigtal jaren leefden ze dan in een relatieve rust. Een leven van gebed, werk en gemeenschapszin.
Maar het Edict van Keizer-Koster Jozef II, dat de beschouwde kloostergemeenschappen afschafte, trof natuurlijk ook de kapucinessen.
Maandenlang bleven de zusters in de periode in angst en onzekerheid. Tot ze, in 1784, ook op straat werden gezet.
Zes jaar lang leefden zij verspreid over de stad.
Na de dood van Jozef II konden zij, in 1790, opnieuw hun klooster aan de Sint Katelijnestraat betrekken.

Duistere voorboden

De vreugde elkaar allemaal terug te vinden in hun vroeger kooster was enorm. De viering was groot. En heel Brugge vierde mee. En onmiddellijk boden zich nieuwe novicen aan. Het strenge maar intens vreugdevolle leven herbegon.
Maar al heel vlug kondigden zich nieuwe donkere onweerswolken aan: De 'Franse Revolutie' met al haar gevolgen voor het religieuze leven, was uitgebroken.
Op 14 mei 1791 kwam de eerste vluchtelinge uit Frankrijk toe. Onmiddellijk gevolgd door andere kapucinessen uit Rijsel en Bourbourg, die uit hun klooster waren verjaagd. Het klooster aan de Stint Katelijnestraat werd overbevolkt. Het telde op 27 september 1792 vierentwintig zusters van de eigen gemeenschap en veertien uit Frankrijk.

Nieuwe werkschikkingen

Ondertussen was ook Brugge bezet door Franse soldaten.
In 1793 werden zij door de bewoners verdreven.
Maar een jaar nadien vielen de Franse troepen de stad terug binnen. Alle eigendommen, ook de kloosters, werden afgebroken of in andere woonsten veranderd. Alle roerend goed werd gestolen. De kapucinessen ontsnapten niet aan deze maatregel. De zusters werden verjaagd. De bevolking hielp voor hen een onderkomen zoeken.

In de Boeveriestraat

De Franse Revolutie is voor de zusters verschrikkelijk geweest.
Maar na die pijnlijke jaren vonden ze wat rust in een nieuw onderkomen in de Hoedenmakersstraat, een huis waar zij verbleven vanaf 1801.
Na vijf jaar konden zij in de Boeveriestraat een 'schuilhuis' kopen van de Sint Andriesabdij. Onmiddellijk trokken zij erin en ontvingen er postulaten.
Van daaruit gingen een zuster uit naar Bourbourg en vijf zusters van de Brugse gemeenschap anar Bourbourg om daar opnieuw een klooster te stichten.
Zo mocht vanuit Brugge de bakermat van de Orde herleven!

Nog doornen

Toch doken in Brugge weer moeilijkheden op toen in 1819 Koning Willem I verbood nog novicen toe te laten. Deze maatregel duurde tot aan de Belgsiche Omwenteling in 1830.
Het jaar daarop legden alle zusters samen opnieuw hun kloostergeloften af.
Onder hen bevonden zich negen jongere religieuzen die in de sombere laatste 25 jaar op verscheidene plaatsen in stilte professie hadden gedaan.
In de jaren die daarop volgden werd hun behuizing omgebouwd tot een echt klooster.
Nieuwe tijden, nieuwe rampen.
Maar daar kwam de Eerste Wereldoorlog. En die sloeg natuurlijk ook op het klooster aan de Boeveriestraat zijn stempel.
In november 1917 werd het gebouw opgeëist door de bezetter. De zusters kregen twee dagen om het klooster te ontruimen. Zij trokken naar hun medezusters in de Sint Rochusstraat te Antwerpen tot 19 maart 1919.
Na de oorlogsjaren deden vele jonge meisjes hun blijde intrede in het klooster.
In deze tussenperiode leefden de zusters nog steeds volgens de oude traditionele en strenge observantie. Tot en met, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Op naar de toekomst...

De frisse wind van de postconciliaire tijd begon ook binnen deze oude kloostermuren te waaien. Heel wat aanpassingen drongen zich op wilden zij reëel en effectief beantwoorden aan de oproep van de Kerk op tot een levensecht 'aggiornamento' te komen.
De behuizing die voor meer dan anderhalve eeuw strikt kloosterlijk was, kon nog moeilijk tegemoet komen aan de rechtmatige verlangens van de geroepenen voor nieuwe tijden.
Tal van mogelijkheden werden onderzocht. Tot plots een ster begon te lichten.
Nu de stad Brugge buiten haar oude vestingpoorten wilde treden en ruimte zocht in de nog groene omgeving, werd ook voor de kapucinessen de gelegenheid geboden zich in volle natuur te vestigen. In Sint-Andries, op de grenslijn van Brugge en Varsenare, zouden ze meer de stilte ervaren van Gods spreken.
De nodige formaliteiten werden vervuld en op 5 september 1971 werden de bouwwerken ingezet voor een gloednieuw modern kloostertje.
De zusters kozen voor hun eenvoudige laagbouw de naam 'Morgenster'.
Met zeven wonen zij daar nu, tevreden en blij met elkaar.
En dagelijks klinkt er het psalmgeznag t.e.v. de Heer en ten bate van de mensheid. En wordt er het dagelijks werk verricht tot opbouw van Gods Rijk en liefde.

Monasterium Morgenster,
Mariënhovedreef 15
8200 Brugge
tel. 050/38 95 36

Kapucinessen te Gent

Het kapucinessenklooster aan de Keizersvest in Gent bestaat 125 jaar. Eigenlijk een reden om te vieren. Maar de zusters laten het liever, rustig voorbijgaan. Zij zullen in hun communiteit wel een dankmis houden. En waarschijnlijk zal er die dag wel wat meer boter bij de vis zijn aan tafel. Honderdvijfentwintig jaar aan de Keizersvest, schrijven we. Maar ze zijn al veel langer in de stad Gent. In 1677 kwamen ze op Spriet. Dat is, juist geteld, 325 jaar geleden. Wel zijn ze op een bepaald moment verjaagd – gelijk alle religieuzen. En zo waren ze van 1797 tot 1877 in Merendree.

Even terugblikken

Om mee te delen hoe de zusters kapucinessen in Gent kwamen, moeten we ven heel vlug samenvatten wat we reeds in ons vorig nummer schreven n.a.v. de kapucinessen van Antwerpen. In 1581 werd te Saint-Omer (Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFFIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes. Zij hadden twee kinderen. Toen haar man in 1614 overleed, wilde zij religieuze worden. Haar geestelijke leider was een kapucijn. Zij richtte haar woning in Bourbourg als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter, en later ook haar tweede dochter, volgde haar daarin heel bewust. Twee begijnen voegden zich bij hen. Samen kregen zij de toestemming van de bisschop en van de magistraat om daar als religieuzen te leven. Spoedig volgden meerdere jonge vrouwen die bij hen wilden wonen. Daarom bouwden zij een klooster.

Maar in 1644 moeten de zusters van Bourbourg hun klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge. Acht anderen naar Antwerpen.

Stichtig in Gent

In Gent kwamen de zusters op een heel andere manier terecht. Hier mogen we eigenlijk de Weledele Vrouwe LOUISE VAN LORREINEN als stichteres beschouwen.

Vrouwe Louise was een weduwe van de prins DE LIGNE en nicht van de koningin van Frankrijk. Toen ze 42 was (1637) werd ze kapucines te Douai (klooster door Francisca Taffin gesticht in 1630). Zij nam de naam aan van Zuster Clara Francisca van Nancy. Politieke omstandigheden deden het later raadzaam vinden dat ze de wijk zou nemen naar het Belgsiche Bergen. Zij stichtte daar een klooster (in 1644), waar zij, na een heilig leven, overleed in 1667.

Het was altijd haar inzicht geweest een kapucinessenklooster op te richten in Gent.

Op haar sterfbed gelastte zij haar zoon, de prins De Ligne, met de uitvoering van haar plan. Het liep er niet van een leien dakje. Een eerste poging in 1672 mislukte, niettegenstaande de ijverige bemoeiingen en de daadkrachtige en milde steun van de prins. In 1676, onder de nieuwe bisschop Mgr. VAN HORENBEKE, ging het beter. Drie kapucinessen uit Bergen kwamen naar Gent en vestigden zich – na enige tijd verbleven te hebben in de abdij van Groenenbriel en Ter Haegen – op Sint Pieters in de Tijckstraat (nu de Kortrijksestraat).

Hun huis werd vlug te klein. En omdat het aanpalende water een uitbreiding onmogelijk maakte, kochten de zusters een nieuwe woonst op de Reep (waar daarna de fabriek Lousbergh ondergebracht werd).

In 1784 werd het klooster door keizer Jozef II afgeschaft. De religieuzen vonden er niets anders op dan zich te verspreiden in begijnhoven, andere kloosters, bij vrienden of bij mensen die hen goedgezind waren.

Op 10 juni 1790 konden zij naar hun klooster terugkeren. Dit gebeurde met veel plechtigheid en 'onder buitengewonen toeloop van volk dat veel blijdschap toonde'...

Aan de Keizersvest

Maar de vreugde duurde niet lang.

Op 28 december 1796 kwamen de Franse Sansculotten de zusters buitenzetten, zodat ze 'met hun bloote voeten in de sneeuw stonden die zeer dik lag'.

Weer werd toevlucht gezocht bij vrienden en kennissen. Moeder Ancilla trok met zes medezusters naar Merendree.

In 1807 werd daar voor de zusters een huis gekocht met geld, gegeven door Z.E.H. Vicaris GOETHALS, hun grote beschermer. Op verzoek van Mgr. FALLOT DE BEAUMONT openden ze er een school voor de arme kinderen van de parochie. Deze toestand bleef zo tot 1876. In dat jaar konden ze terugkeren naar hun vorige levensstaat. Want in hun tussentijd was er van een strikt onderhouden van hun Regel en Constituties geen sprake.

Mgr. BRACQ bouwde voor de kapucinessen aan de Brusselselaan (de huidige Keizersvest) een klooster, waar zij op 24 juli 1876 hun intrek konden nemen.

Kapucinessen te Antwerpen

Het Instituut voor Tropische Geneeskunde kocht het Kapucinessenklooster in de Sint-Rochusstraat te Antwerpen. Beide gebouwen liggen recht tegenover elkaar. men moet slechts een straat met éénrichtingsverkeer oversteken en men zit bij de overbuur.

Voor de zusters was het verlaten van het klooster noodzakelijk geworden. Van de eens zo bloeiende kapucinessen schieten nu nog vier zusters over. De twee jongsten van hen worden dit jaar tachtig.

Voor het Tropisch Instituut komt dit eigenlijk heel gelegen. Daar moest dringend gezocht worden naar bijkomende leslokalen en burelen. Nu men het klooster kan kopen voorziet men dat in de loop van volgend jaar er reeds de eerste lessen kunnen doorgaan.

Moeder Ancilla en de zusters Pia, Pacifica en Roza verhuizen niet graag. Zij moeten een sfeervol monasterium verlaten waarin zij bijna gans hun leven hebben gewoond. Als monialen kwamen zij slechts uiterst zeldzaam buiten.

Daar de keuze van bestemming uiteindelijk gevallen is op het Tropisch Instituut, maakt hen blij. Zij hadden immers gehoopt dat hun monasterium in handen zou komen van mensen met een sociale bewogenheid. Zij zijn nu gerust dat het voor goede doeleinden zal worden gebruikt.

Even ter toelichting over het Tropisch Instituut: De internationale mastercursussen die in het klooster zullen gegeven worden zijn gericht op wetenschappers en professionals die werken in tropische en ontwikkelingslanden. Onderwijs in tropische geneeskunde en gezondheidszorg in ontwikkelingslanden vormen een kernopdracht van het instituut. Tot op heden behaalden meer dan 17.000 artsen, verpleegkundigen, vroedvrouwen, biologen, dierenartsen, landbouwkundigen en laboranten er een diploma in tropische geneeskunde of diergeneeskunde. Ruim 1.000 buitenlandse studenten werden er opgeleid tot op master- of doctoraatsniveau.

We nemen deze gelegenheid te baat om wat meer informatie te geven over het gebouw en over de zusters kapucinessen.

Hoe kwamen de Zusters Kapucinessen aan dit gebouw?

In 1642 kocht de kartuizergemeenschap van Vucht ('s Hertogenbosch) twee hoven in de Sint-Rochusstraat te Antwerpen. Twee jaar later werd er de eerste steen gelegd van een nieuw kartuizerklooster.

Na vijf jaar stond het er en verhuisde de hele gemeenschap van Vught naar de nieuwe gebouwen. Drie jaar later begonnen de kartuizers een kerk te bouwen die in 1677 af was.

Daar bij de kartuizers elk lid van de orde in een afzonderlijke kluis woont, was het domein nogal groot. Dit werd later (in 1866) grotendeels ingepalmd door de gevangenis, die er nog altijd is. Zoals in heel de streek werden onder 'keizer-koster' Jozef II en de Franse Revolutie de kloosterlingen verdreven. De gebouwen van de kartuizers van Antwerpen dienden  als diamantslijperij. (Het was een diamantslijperij met 16 slijpmolens. De grootste diamant van de Franse Kroon is in hun kapel geslepen. 'Le régent noir' heette de steen. Na de Franse Revolutie is hun klooster een suikerraffinaderij geworden).

In 1834 namen de zusters kapucinessen, die toen in de Schemerstraat woonden, hun intrek in de Sint-Rochusstraat. In 1908 werd de voorgevel gerestaureerd.

En in 1955 werden de kerk, de kloostergebouwen en de binnenplaats beschermd.

En hoe kwamen ze dan hier?

Om dat te beschrijven dienen we eerst wat te zeggen over het ontstaan van de kapucinessen in ons land. We doen dit heel summier, in de hoop in een volgende aflevering wat meer te kunnen vertellen over hun ontstaan en hun geschiedenis.

In 1581 werd te Saint-Omer (Toen Sint-Omaar in Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFIIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Als kind verbleef zij twee jaar als pensionaire bij de benedictinessen van Bourbourg (Broekburg). Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes, raadspensionaris van de stad Bourbourg. Ze poogde haar leven als echtgenote en moeder te combineren met een vroom ascetisch leven. Toen haar man in 1614 overleed, kon ze haar droom – religieuze worden – realiseren. Haar geestelijke leidsman was een kapucijn. Zij dacht in diezelfde richting. Zij richtte haar woning als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter volgde haar daarin heel bewust. Stilaan ontwikkelde hun leven tot echt religieus leven. Twee begijnen voegden zich bij moeder en dochter. De bisschop van Saint-Omer keurde de constituties goed. In hetzelfde jaar kreeg Francisca ook de toestemming van de magistraat. Het jaar daarop werden de eerste postulanten aanvaard. Omdat de communiteit reeds maar aangroeide, begon met de bouw van een klooster. De kerk werd in 1619 gewijd. De communiteit bestond toen reeds uit 22 leden/

In 1644 moest de communiteit van Bourbourg haar klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge. We zullen later over hen schrijven. Acht anderen gingen naar Antwerpen. Ze kwamen er in augustus aan en logeerden in het huis van Andreas Janssens, broer van de ancilla (d.i. letterlijk: dientsmeisje; bij de kapucinessen is dat de officiële naam voor overste) in de Hoogstraat. Na twee maanden verhuisden ze naar een huurhuis in de Arenbergstraat. Onder invloed van de priester Adrianus Moens veranderden zij van opzet. In plaats van voorlopig verblijf probeerden zij zich nu definitief in Antwerpen te vestigen.

Maar het liep nog steeds niet van een leien dakje. Want een paar maanden nadien moesten ze naar de Blindenstraat verhuizen. In 1647 keerden drie zusters naar Bourbourg terug. Dank zij het werk van Adrianus Moens die naar een geschikte plaats zocht maar tegelijkertijd ook zorgde voor een voldoende dotatie, werd in 1648 de toestemming voor de nieuwe stichting verkregen van bisschop Nemius. De toestemming van de landvoord aartshertog Leopold verkrijgen was heel wat moeilijker. Na allerlei mensen in beweging gebracht te hebben, duurde het nog tot in 1653 vooraleer zij de toelating van de aartshertog kregen.

Lange tijd zijn de zusters dan gerust gelaten en konden zij in alle stilte zich aan het moniale leven wijden.

In januari 1782 openden de kapucinessen, op aanraden van bisschop Wellens, een school voor arme kinderen en konden ze zo de afschaffing door Jozef II overleven. Ze leefden heel sober. Toch lezen we dat in het klooster in 1787 een tekort had van 625 gulden.

Op 3 december 1796 werd de inventaris van het klooster gemaakt. De kapucinessen hadden geweigerd om de ambtenaren binnen te laten, zodat deze met geweld het slot moesten verbreken. Op 6 januari 1797 werden ze dan uit hun klooster verdreven. De gebouwen werden verkocht en tot hun afbraak in 1843 nog als kazerne of magazijn gebruikt. Op de grond van het vroegere klooster werd daarna de huidige Kapucinessenstraat aangelegd. De communiteit zelf trok zich in 1797 terug in een huis aan de Prekerstrtaat. Het jaar daarop verhuisden ze naar een pand in de Kloosterstraat. Drie jaar later vestigden zij zich tenslotte in de huidige Maarschalk Gérardstraat.

Eindelijk tot rust in de Sint-Rochusstraat

In 1834 kochten de kapucinessen het vroegere kartuizerklooster in de Sint-Rochusstraat. Het jaar daarop trokken ze erin. Twee maanden na hun verhuis namen ze opnieuw het slot aan. De communiteit bestond op dat ogenblik uit 11 religieuzen, waaronder nog één moniale die de afschaffing had meegemaakt.

Honderdvijfenzestig jaar hebben de zusters kapucinessen hier gewoond in alle teruggetrokkenheid en gebed. Ze waren graag gezien door heel vele Antwerpenaars en mensen uit de omgeving. Zij werkten voor hun onderhoud, wasten het linnen voor vele kerken, maakten hosties voor heel veel parochies. Zij vervaardigden op kunstzinnige wijze antipendia en voorwerpen, met een speciaal procédé in stro. Vooral kwam de laatste vijftig jaar veel volk naar de devotieplechtigheden voor de H. Rita.

Door dit alles groeide een grote verbondenheid tussen een deel van de bevolking en de zusters. Niemand kan schatten hoevele bedrukte mensen of mensen met allerlei problemen hier in de spreekkamers om raad en steun gekomen zijn. Tot op vandaag zijn de kapucinessen de toevlucht in alle nood.

Nu komt daar een einde aan. Vele mensen ontvingen van hen nog, zoals ieder jaar, een uitnodiging voor de H. Rita-oefeningen. Niettegenstaande de zusters tachtigers geworden zijn, is de toon van de uitnodiging nog even enthousiast als vroeger. juist vijftig jaar geleden werd voor het eerst het beeld van de H. Rita in hun kapel geplaatst. Sindsdien heeft de verering van de heilige een vaste plaats gekregen in het geestelijk leven van zovelen van hun bezoekers. Daarom staan "de vijftien donderdagen" (van 8 februari tot 17 mei) dit jaar in het teken van JUBEL en DANK.

Neen, geen geweeklaag over het gebrek aan roepingen. De enkele maanden dat ze nog in dit monasterium zijn, willen de zusters God lofzingen en danken.

En na deze 15 donderdagen zal het even heel stil worden. De zusters verhuizen voor de laatste maal.. Waar ze naartoe gaan? Het wordt nog gefluisterd. Zij zullen een gang kunnen huren in het Home Sint Camillus dat de zusters Augustinessen aan 't bouwen zijn. Een plaats dus om te rusten. Maar zullen ze er rusten? Dat staat niet in hun brief. Zij beëindigen hun uitnodiging met een zin die het tegenovergestelde doet vermoeden: 'Moge het U een steun zijn, te weten dat ook de zusters bidden voor U en al uw belangen..'

Jan Wouters

Kapucinessen te Bourbourg

Enkele jaren geleden zocht het parochieteam van Bourbourg (een parochie met 8 kerkdorpen)
'hoe' de Zusters Kapucinessen in beeld konden gebracht worden binnen het geheel van de gemeenschap... Enig antwoord: "We tekenen een oor!" Zij luisteren nl. dag en nacht naar de Heer, naar de mensen en naar de gebeurtenissen om als gelovige in alles en met allen mee te leven.

'Capucines de Bourbourg'... zij maken inderdaad deel uit van de geschiedenis van Bourbourg.
Mevrouw Françoise Maes-Taffin, onze stichteres, behoort tot de bekende figuren van de stad. Haar leven dat van de eerste kapucinessen zijn een verhaal op zichzelf.

Blijven we nu bij de Zusters van Bourbourg.
Vier oktober 1614. Françoise (Franciska) Taffin krijgt van de bisschop van St.-Omaar en van de Stad Bourbourg de toelating om in haar huis een kloosterleven  volgens de geest van Franciscus en de kapucijnen te beginnen. Op 2 december 1614 ontvangen zuster Françoise en de eerste kapucinessen het habijt en beginnen een leven van gebed en armoede.

De jaren die volgen zijn voor de stad een periode van strijd en overheersing: Franse, Oostenrijkse, Spaanse, weer Franse... met al hun gevolgen voor de bevolking. De communiteit bloeit... elk jaar komen nieuwe kandidaten de groep en de ijver vergroten. Maar zelfs het minimum om sober te leven ontbreekt dikwijls. Zuster Katharina van Breda (ancilla) vraagt in 1644 de toelating om 17 van de 27 zusters te laten vertrekken naar Antwerpen en naar Brugge, om zo in het levensonderhoud van de communiteit te kunnen voorzien.

De Dertigjarige Oorlog spaart ook Bourbourg niet. Men is verplicht het nachtofficie in de kelder te bidden terwijl de kanonschoten de kapel en het klooster ernstig beschadigen. Koningin-moeder Anna van Oostenrijk, echtgenote van Lodewijk XIII, ontfermt zich over de zusters en laat hen elke dag brood bezorgen, terwijl de raadsheer van Mazarin op diens kosten het dak laat herstellen en elke zuster een nieuw habijt schenkt. Maar wat voor de kapucinessen wel erger was: het priestertekort had als gevolg dat zij niet elke dag de Eucharistie of de regelmatige preken hadden.

Andere onweerswolken dreigen: de Franse Revolutie. In februari 1790 komt het 'suppressie-decreet': de zusters mogen kiezen: of naar hun familie terugkeren of samen in een rusthuis gaan. Om de drie maanden komt men de ledenlijst en de inventaris nakijken... tot de uitdrijving volgt in 1791... de koe werd verkocht maar nooit betaald, het brandhout wordt weggehaald, de groente van de tuin mogen niet meer door de zusters gebruikt worden.
De zusters moeten hun klooster verlaten in burgerkleding en zonder iets mee te nemen. Zij verdelen zich in 3 groepen: de ancilla, de ouderen en zieken vinden een onderkomen bij families in Bourbourg; een groep vertrekt richting Gent; een andere groep tracht de communiteit van Brugge te vervoegen.
Op 17 januari 1793 wordt het klooster en inboedel verkocht. In 1810 zal dit gebouw van eigenaar veranderen, een gedeelte ervan wordt afgebroken of herbouwd om gezinnen te huisvesten.

Vanaf 1814 zoeken zes zusters naar Bourbourg terug te keren. Maar wanneer ze er in 1817 aankomen, herkennen zij met moeite nog de keuken en de refter. Zij vinden onderkomen in een huurhuis en dromen ervan ééns hun leven in het oorspronkelijke klooster te hervatten... De zusters zijn boven de vijftig, zonder huis, zonder inkomen, zelfs zonder bedden.

Maar de Heer en de bewoners van Bourbourg vergeten hun kapucinessen niet.
Abbé Debreyne - onderpastoor van Bourbourg - stelt alles in het werk. En zo wordt in 1817 het klooster teruggekocht, de nieuwe kapel geopend en ... het leven herrijst. In 1830 zijn er in Bourbourg 30 zusters in de communiteit.

Wie meent dat franciscaanse contemplatieven een rustig leven leiden, moet de geschiedenis van Bourbourg verder lezen.

1905. In Frankrijk wordt de wet van scheiding tussen Kerk en Staat een realiteit.
Alle kloosterlingen verlaten het land. Voor de kapucienssen wordt het een verblijf in Zulte vanaf 1907 tot na de Eerste Wereldoorlog. De Zusters van het 'Franse klooster' kennen ook daar de oorlog, de evacuatie van Zulte... en enkele jaren van stil-verborgen gebedsleven. Tot aan de terugkeer naar de nabijheid Bourbourg, nl. naar Coquelles bij Calais. Voor eindelijk wat rust? Zij zijn biddende zusters die wel en wee van de bevolking delen. Wanneer tijdens de Tweede Wereldoorlog Coquelles moet ontruimd worden, volgen de zusters de bevolking op hun zwerftocht. Enkele jaren zijn zij dakloos in Rijsel. Van de ene tijdelijke huisvesting naar de andere... Is er nog toekomst voor de kapucinessen in Bourbourg? Dit kon men zich terecht afvragen.

Nochtans...
De bewoners van Bourbourg blijven hun zusters een warm hart toedragen.
Een familie stelt een huis ter beschikking om hen terug te brengen naar hun 'geboorteplaats'.
De rondzwervende zusters van Rijsel keren terug naar een huis niet ver van het oorspronkelijk klooster. Op 8 maart 1949 komen vier kapucinessen van Antwerpen hen vervoegen.

Edelmoedig en met groot vertrouwen beginnen zij nu een nieuw hoofdstuk.
In het verlengde van de oorspronkelijke straat wordt op 8 maart 1959 de eerste steen gelegd voor het nieuwe monasterium. Mgr. Dupont van Rijsel doet de inwijding op 1 mei 1950. Tussen de aanwezigen stond, stil maar met een dankbaar hart, zuster Françoise de Godewaersvelde. Zij immers was als novice mee in ballingschap gegaan in 1907... de lange weg langs Zulte, Coquelles, Rijsel. Zij had zelf beleefd dat 'verbonden leven met de Heer' of zoals onze Stichteres zei 'de rustige blik op God in alle dingen' mogelijk is in alle omstandigheden waarheen en waardoor de Heer ons leidt.

De toekomst?... Een blik op de geschiedenis van Bourbourg is steeds bron van vertrouwen op de Heer... Bourbourg is en blijft 'Zijn' werk!

Tot zover het relaas van Zr. Consolata. Wij willen er zelf nog iets aan toevoegen.
Momenteel zijn er vier zusters in de communiteit: 3 Vlaamse en 1 Roemeense.
Zij woneen in een heel eenvoudig kloostertje dat het hunne niet is. Zij mogen het bewonen. Vele mensen vragen zich af hoe zij in leven blijven. Maar voor wie zo verbonden leeft met de mensen blijkt dat geen probleem te zijn. Zij hebben het noodzakelijke en dat is voor hen genoeg.
Hun bijdrage tot het sociale en religieuze leven in de stad is zeer groot.
Lang waren zij verantwoordelijk voor de stedelijke brandweer. Wie in sociale of religieuze nood is, komt hen opzoeken. Zij zorgen voor een soort 'Emmaüszorg' voor de armen en behoeftigen. Zij zijn het hart van de decanale catechesevorming. Zij doen aan volwassenenvorming. In hun kapel gaat de enige dagelijkse eucharistieviering (met officie) van het stadje door. En steeds houden zij kamertjes vrij voor zoekers of mensen die de stilte nodig hebben.
Want dit is een tweede pijler van hun leven: is hun verbondenheid met de plaatselijke bevolking zeer groot, in wezen zijn zij contemplatieven. Het gebed staat steeds op de voorgrond. De verbondenheid met God is primordiaal. Zelfs in de drukste periode blijft de contemplatie en het gezamenlijk gebed (waarvan de gelovigen kunnen deelnemen) op de eerste plaats staan.
Dat de bevolking - met ZEH Deken op kop - hen voor dit alles zeer dankbaar is, bewijzen de grote toeloop en zorg voor 'hun' zusters.

J.W.

 

Vertouwvol op weg naar "400 jaar Kapucinessen"

 

Overgenomen uit HANDDRUK: jaargang 43, nr. 1, maart 2013

 

 

 

 

 

VIER JE OOK MEE?

Overgenomen uit Handdruk, jg. 44, nr. 3, september 2014                    

OVERLIJDENSBERICHT ZUSTER CONSOLATA