Woonplaatsen

 Startpagina Vorige

GESLOTEN KLOOSTERS:

1) BRUGGE CLARASTRAAT

2) LOMMEL WERKPLAATSEN

3) BOOM

4)EDINGEN

5) BRUSSEL

6) BEERNEM

7) LEUVEN

8) BRUGGE KOMVEST

9) Aalst

10) Schaarbeek

11) Izegem

 

 

1) Brugge Clarastraat

 

Op 10 juni 1867 ontruimden de kapucijnen officieel het klooster op de Vrijdagmarkt en brachten zij processiegewijs het H. Sacrament over naar hun nieuwe nederzetting in de Clarastraat.
 De ontruiming van het klooster op de Vrijdagmarkt is een gebeurtenis geweest die destijds heel Brugge in beroering heeft gebracht. Het klooster werd onteigend en afgebroken, eerst gedeeltelijk en later in zijn geheel, om de Maatschappij van de IJzerenweg toe te laten een station te bouwen en het nadien te vergroten.

 Een dramatisch voorval illustreert op treffende wijze hoezeer de gemoederen waren opgezweept. Een liberale spreker had gejuicht omdat de kapucijnen het hadden moeten afleggen tegen de gemeenteraad en er zijn vreugde over uitgedrukt “dat de schoonste uitvinding van de moderne tijd niet tegen een stuk muur van de kapucijnen was te pletter gereden!” Toen hij, onder dolle toejuichingen van het publiek, van het podium stapte, werd hij getroffen door een beroerte en stierf ter plaatse. Velen zagen hierin de vinger Gods en men haalde de belofte aan gedaan door Christus aan Franciscus, dat al wie zijn orde zou vervolgen, hiervoor zichtbaar zou gestraft worden en op schandelijke wijze om het leven zou komen.

De politieke beroering bereikte haar toppunt toen vernomen werd dat de kapucijnen besloten hadden ostentatief hun klooster te ontruimen daags vóór de verkiezingen en hun vertrek “in ballingschap” met kerkelijk ritueel zouden omlijsten.

 P. Celestien Daubresse van Wervik, toenmalig provinciaal, heeft aan deze gebeurtenissen een pamflet gewijd: Une page d’histoire de l’ancien couvent des FF. Mineurs Capucins de Bruges. Offerte aux catholiques et aux libéraux de la Ville de Bruges. Bruges, Librairie de L. Beyaert-Defoort, 1867. Wij vatten aan de hand van dit pamflet het verloop van de ontruiming samen.

 In 1838 liep het gerucht dat Brugge een spoorlijn zou krijgen en dat het station zou gebouwd worden op de Vrijdagmarkt. Naast een groot aantal huizen zouden ook de kerk en het klooster worden afgebroken. Toen de kapucijnen kennis hadden gekregen van het onteigeningsbesluit, trok P. Bonaventura van Schulen naar Brussel om bij het Ministerie en bij koningin Marie-Louise protest aan te tekenen. Hij verkreeg dat niet het hele klooster maar slechts een derde ervan zou gesloopt worden.

 Dertig jaar later kwamen kerk en klooster weerom in het gedrang toen besloten werd het station te verbreden. Op 6 juli 1865 verscheen er een koninklijk besluit waarbij toelating werd gegeven om de percelen palend aan het station te onteigenen. Dit betekende een rechtstreekse bedreiging voor de kapucijnen. Zij haastten zich verzet aan te tekenen bij de Koning, de minister van openbare werken en bij de commissie, die gelast was met het onderzoek “de commodo et incommodo”. Zij beriepen zich op de historische waarde en betekenis van het Brugse klooster voor de orde en wezen op de pastorale complicaties, die zouden voortvloeien uit het verdwijnen van kerk en klooster. Zij gingen zelfs zover een tegenvoorstel in te dienen, nl. een nieuw station te bouwen buiten de stad, ongeveer op dezelfde plaats waar het tegenwoordige station werd topgetrokken. Dit plan zou niet alleen financieel voordeliger zijn en voor de maatschappij en voor de gemeente, maar bovendien sloot het onbeperkte mogelijkheden in voor latere uitbreiding van het spoorverkeer. Hun protest bleef deze keer echter zonder gevolg. Men gaf hun weliswaar gelijk (ook de geschiedenis heeft hun achterna gelijk gegeven!), maar voerde onverstoorbaar het oorspronkelijk plan uit. Kerk en klooster werden afgebroken en de kapucijnen kregen een vergoeding van 425.000 fr. voor de grond en de gebouwen en bovendien nog een som van 11.665 fr. voor de inboedel. Een voor die tijd behoorlijke vergoeding, vooral als men bedenkt dat enkele tijd tevoren in het station een staatsminister, wijzend naar het torentje, hardop had gebluft: “Heel dat uilenkot is nog geen 100.000 fr. waard!

 Kerk en klooster moesten in januari 1867 volledig ontruimd zijn, maar de kapucijnen wisten een uitstel van zes maanden te bekomen. Begin juni begon men de inboedel te verhuizen naar de Clarastraat en P. Celestien noteerde, niet zonder ironie: “Men is altijd rijk als men verhuist!

Het officiële afscheid van het klooster was vastgesteld op 10 juni. Daags tevoren, op Pinksteren, werd onder massale belangstelling het laatste ‘lof’ gehouden. Op het einde van de plechtigheid werd meegedeeld dat het H. Sacrament ’s anderendaags plechtig en publiek zou overgebracht worden naar de Clarastraat.

 Op Pinkstermaandag te 16 u. werd in de onttakelde kerk voor de laatste maal het H. Sacrament uitgesteld. Te 16.30 u. werd de zegen gegeven en verliet de processie de kerk. Voorop ging een lekebroeder met het Kapucijnenkruis, vervolgens kwamen de beelden van O.L.Vrouw, Donatus, Antonius en de schrijnen met relieken. Het H. Sacrament werd gedragen door Celestien, provinciaal. De Vrijdagmarkt zag zwart van het volk en duizenden stonden te wachten in de straten waar de stoet voorbij zou komen. Op het grondgebied van de parochie van St.-Gillis waren de huizen bevlagd, had men erebogen opgericht en welkomteksten uitgehangen. Op de plaats waar later de voorgevel van de kerk zou komen was een rustaltaar opgericht. Na de zegen namen de kapucijnen officieel bezit van hun nieuwe nederzetting. (Vox Minorum, 21(1967), blz. 197-200.

 In december 1866 werd het terrein der afgeschafte abdij der Urbanisten, in de Clarastraat aangekocht. In maart 1867 werden de nog bestaande gebouwen ingericht. Het nieuwe klooster werd gebouwd door architect en aannemer Franciscus Leclef uit Antwerpen. In december 1867 werd de kerk in opbouw door een stormwind neergehaald. Kerk en klooster werden op 18 maart 1869 in gebruik genomen.

 Het klooster in de Clarastraat was van 1933 tot 1967 het opleidingshuis voor de studenten in filosofie. Naast het traditionele apostolaatswerk van predikatie, derde orde, dienstbetoon aan de parochies is het klooster vooral gekend om het werk voor schippers, foorreizigers en woonwagenbewoners. Het schipperswerk was gevestigd langs de Komvest (zie infra).

Celestinus van Wervik, Serafinus van Brugge, Venantius van Roeselare, Henricus van Groenlo, Gervasius van Zedelgem en Robert Tack hebben hun stempel gedrukt op het werk voor de foorreizigers en woonwagenbewoners.

Vanuit de Clarastraat werd pater Karel Verleije medestichter van het Europacollege en bleef zijn hele leven lang een fervent ijveraar voor een verenigd Europa. P. Marcel De Bie werd de stichter van Mariënhove, een school voor karakter-moeilijke kinderen.

Vele kapucijnen hebben zich jarenlang verdienstelijk gemaakt in het onderwijs: als professor wijsbegeerte voor de eigen ordeskandidaten, als leraar godsdienst in verschillende middelbare scholen.

 De beslissing kerk en klooster te verlaten en te verkopen werd genomen op het kapittel van 1967. De motieven voor deze beslissing waren: een behoorlijk aanbod, het niet langer verantwoord bestaan van twee grote kloosters te Brugge, de ontvolking van het klooster als gevolg van de sluiting van het studiehuis voor filosofie, de praktische onmogelijkheid de leegstaande gebouwen een nieuwe bestemming te geven, de erbarmelijke materiële toestand van het klooster en de hoge kosten van onderhoud en herstelling.

 Op 29 september 1968 werd de kerk gesloten en op 11 oktober de gemeenschap ontbonden. In de Schippersschool werd een hospitium opgericht en de kapel tot publieke bidplaats verklaard. Op 3 februari 1969 werden klooster en kerk verkocht.

 

2) Lommel-Werkplaatsen

 In 1904 werd de zink- en zwavelzuurfabriek van Lommel-Werkplaatsen gebouwd door de Duitse familie Schulte en kende op korte tijd een snelle uitbreiding. In 1913 stonden er al vier woningen voor de fabrieksdirectie, 13 voor de bedienden en 52 voor de werklieden, een kapel, een hospitaal en een feestzaal.
 De gemeente Lommel richtte er in 1912 een school en kerk op. De bouw van de kerk werd voor de helft gefinancierd door de zinkfabriek, maar bleef samen met het schoolgebouw, eigendom van de gemeente. Vanaf 1907 deed P. Coopmans, Norbertijn van Postel, de eerste kerkdiensten in de kapel van het hospitaal en vanaf 1912 tot 1925 in de Sint-Barbarakerk.
 Op het kapittel van 8 augustus 1925 te Aalst werd beslist tot de stichting te Lommel-Werkplaatsen. Op 13 augustus werden P. Edmond, Hilduard en Juliaan naar Lommel gezonden. Ze vestigden zich in de villa Sint-Norbertus, later de villa Sint-Franciscus. Op 30 december 1925 werd de nieuwe parochie officieel erkend.

 Na de aankoop van een stuk braakliggende grond in 1929 werd in 1927 begonnen met de bouw van het klooster en college.
In het Christus-Koning college was een lagere afdeling gevestigd van het secundair onderwijs waar kandidaten voor de orde gevormd werden. In 1954 bleven de twee voorbereidende jaren behouden en vanaf 1967 tot 1969 werd het college een home voor jongens die elders onderwijs volgden.  

Naast het parochiewerk, het onderwijs en het gewone kloosterapostolaat zal men te Lommel-Werkplaatsen onder de bezielde leiding van P. Cajetaan, een Mariapark aanleggen. De bouw van een Lourdesgrot (1928), de oprichting van een H. Hartbeeld (1928) waren de eerste realisaties. Daarop volgden de kapellen ter ere van O.L.Vrouw van zeven Weeën (1933-1937), en de kruisweg (1938-1949). Dit alles is het werk van Michiel Geysels uit Westmeerbeek. Tot 1965 werden er elk jaar van mei tot oktober bedevaarten ingericht.

 In 1969 verlieten de Kapucijnen Lommel-Werkplaatsen en verhuisden zij naar Lommel centrum. Dit huis werd het trefpunt waar de verschillende medebroeders in de parochiepastoraal in de omtrek dagelijks samenkwamen. (Lommel-Werkplaatsen, Stevensvennen, Glasfabriek, Gerheiden, Heeserbergen, Strooiendorp). Het klooster werd gesloten. De parochie werd overgedragen aan het bisdom en het Mariapark werd in 1979 geschonken aan de parochiale werken. Onder impuls van de gemeente werd in de jaren 80 de kruisweg gerestaureerd en de parochie draagt zorg voor het onderhoud van het park.

In 1972 nam het jongenstehuis Pieter Simenon zijn intrek in de vroegere kloostergebouwen en aan hen verkocht in 1979. Na enkele jaren werd alles gesloopt en vervangen door nieuwbouw.

In 1979 werd ook het huis in Lommel Centrum verkocht, omdat door verplaatsing of overlijden de opengevallen plaatsen niet meer werden ingevuld. Zo kwam er een einde aan aan meer dan 50 jaar kapucijnenaanwezigheid te Lommel en omstreken. Alleen Robert Herte bleef er tot 19     als aalmoezenier van de jeugdgevangenis te Mol.

 

3) Boom

 Het idee om een kapucijnenklooster te bouwen in de streek van Boom werd voor het eerst voorgesteld door de E.H. Meeuwsen, pastoor van Hellegat in 1943. Het leek erop dat dit plan niet zou doorgaan omdat men geen geschikte bouwplaats vond in deze arbeidersbuurt. 

P. Hildebrand Raes, die de stichting erg genegen was, gaf de stichting niet op en trok in 1944 op eigen houtje op zoek naar een gepast bouwterrein en kwam zo terecht bij een perceel gelegen aan de Jan Frans Willemsstraat. Dit terrein, dat toebehoorde aan het Bestuur van de Provincie Antwerpen, werd aangekocht op 1 september 1945 en een aanpalend perceel op 29 september 1945.
Op 7 oktober 1945 werd een soldatenbarak ingezegend als voorlopige kapel. P. Romuald Kestens werd aangesteld als bouwmeester. Op 13 juni 1946 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe klooster volgens de plannen van architect Bal en in Boomse handsteen opgetrokken door de heer Brems, aannemer. Reeds een jaar later, op 14 juni 1947, nam men zijn intrek in de nog onvoltooide gebouwen. In augustus werd de eerste kloosterfamilie samengesteld. Op 30 augustus 1948 werd de kerk geconsacreerd door Mgr. Van Cauwenbergh en toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria. 

Op 19 juni 1949 werd de kruisweg, door br. Maximinus van de Broeders van Liefde geschilderd, ingezegend. Het lijdensdrama werd uitgebeeld met hedendaagse figuren: de goeden, de teergevoeligen, de vakmannen, de onverschilligen, de haatdragers, de schijnheiligen, de huilers met de wolven, de nieuwsgierige meelopers, de officiële barbaren. De laatste statie stelt een groep kapucijnen voor die rond het graf staan waarin Jezus wordt neergelegd. Deze kruisweg bevindt zich nu in de pandgang van het klooster te Meersel-Dreef.
Alle beelden in de kerk waren het werk van beeldhouwer Albert Poels. De glasramen zijn het werk van tekenaar Piron en glazenier Crickx uit Jette en een tweede reeks van glazenier Marc De Groot uit Edegem, met overwegend franciscaanse heiligen. Ze werden geplaatst tussen 1951 en 1955.
Heel wat activiteiten hadden plaats te Boom naast het gewone kloosterapostolaat, zoals een franciscaanse kunstavond, een recital van gewijde muziek, franciscaanse toneelavond, twee preekstoelen gesprekken, autowijding, franciscaanse kunsttentoonstelling, retraite voor intellectuelen, franciscaans triduum, Oosterse liturgie, een kerststal op de autosnelweg, T.V. missen, spelnamiddagen. P. Plechelm Staarink gaf er het Volksweekblad uit en zijn naam is ook verbonden met de oprichting van het Fioretti-koor en de actie Jeugd zonder land.
 De sluiting van het klooster in 1979 zorgde voor heel wat beroering bij de plaatselijke bevolking. Twee medebroeders bleven nog enkele jaren ter plaatse voor de diensten in de kerk. Het klooster werd in 1987 verkocht aan INFODO en is tot op heden een tehuis voor doven.

 4) Edingen

 Ludmille van Lobkowicz, hertogin van Arenberg kocht op 15 maart 1841 de grond van het gewezen kapucijnenklooster terug en in januari 1842 droeg de kerkfabriek van Edingen de gewezen kapucijnenkerk in volle eigendom over. In september 1850 vroeg de hertogin aan F. De Coninck, deken van Sint-Goedele te Brussel, onderhandelingen te willen beginnen met de kapucijnen te Brugge over een eventuele terugkeer. De deken had helemaal geen probleem om de kapucijnen te overtuigen. 

Op 7 oktober 1850 kwam pater Serafien van Brugge naar Edingen om de sleutels van de kerk in ontvangst te nemen en de komst van zijn medebroeders voor te bereiden. Voorlopig verbleven de religieuzen in een huis, gelegen rechts van het oude klooster. De plannen voor het nieuwe klooster werden getekend door pater Anselm van Tielt. Op 13 september 1852 namen de kapucijnen hun nieuw klooster in gebruik dat van toen af tot 1964 tevens noviciaatshuis was. In de loop der jaren onderging het klooster enkele grondige veranderingen en vergrotingen, vooral in 1932 door de bouw van een nieuw noviciaat. 

In november 1918 werden het klooster en de kerk onder sekwester geplaatst omdat ze eigendom van de hertog van Arenberg waren. In 1931 werden de gesekwestreerde en niet verkochte goederen van Arenberg terug aan de eigenaar gegeven. Op 6 juli 1932 verkocht de hertog het klooster aan de kapucijnen voor de symbolische prijs van 20 F. 

Bij de splitsing van de Belgische provincie van de kapucijnen in een Vlaamse provincie en een Waalse generale custodie op 4 juli 1958 werd het klooster van Edingen aan de Vlaamse provincie toegewezen. 

Wat de aanwezigheid van de kapucijnen op moreel, religieus, spiritueel, sociaal en cultureel vlak betekend heeft voor de mensen van Edingen en omliggende is moeilijk te achterhalen of in te schatten. De kapucijnen zijn niet naar Edingen gekomen om heldendaden te verrichten maar om in gewone dagdagelijkse dingen de geest van Franciscus te beleven en uit te dragen, om dienstbaar te zijn voor iedereen. Deze houding van minoritas, waar Franciscus zo’n nadruk op legde, wordt meestal niet vermeld in de kronieken maar blijft verborgen in de stilte. 

De kloosterkerk werd druk bezocht, niet alleen voor het bijwonen van de Nederlandse en Franse missen maar ook voor de individuele geloofspraktijk. De devoties tot Onze Lieve Vrouw van Gratie, Sint-Donatus en Sint-Antonius waren zeer bloeiend. Elke dag was de kerk open zodat de mensen even konden verpozen, bidden, biechten, een kaarsje offeren, kortom de aanwezigheid van God ervaren. Het geloofsleven van de mens vertolkt zich immers ook en vooral in kleine daden en eenvoudige woorden die uit het hart komen en de geest bezielen. 

We zouden nog de aandacht kunnen vestigen op de Derde-Orde voor vrouwen en mannen, de vele predikaties en zondagsdiensten in de omliggende parochies, het jaarlijks missiefeest, het museum en archief van Arenberg, die niet alleen het klooster maar ook de stad een culturele meerwaarde gaven, de jaarlijkse processie van Onze Lieve Vrouw van Gratie, het brood van Sint-Antonius voor de armen, het engagement in kliniek enz.

Op 12 februari 1995 deelde het provinciebestuur mee dat de kapucijnen Edingen zouden verlaten. De kerk werd gesloten op 1 juli 1996. De kapucijnen vertrokken op 16 augustus 1996.

 

5) Brussel

 

Al in 1845 wilde Jean-Baptiste Vervloet, pastoor van de Miniemen, de toelating verkrijgen zijn veel te uitgestrekte parochie te splitsen. In 1848 richtte hij dergelijk verzoek tot de burgerlijke overheid. Zijn vraag werd niet ingewilligd. Burgemeester de Brouckère was gewonnen voor een nieuwe parochie en raadde de pastoor aan, religieuzen te vragen om een nieuw klooster op te richten. Het overgrote deel van de parochianen van de Miniemen waren arme tot zeer arme mensen. De pastoor wilde vooral voor die bevolkingsklasse hulp en bijstand zoeken. 

Pastoor Vervloet leerde de Kapucijnen kennen te Brugge. Hij zag onmiddellijk dat zij de juiste mensen waren om te komen wonen te midden de armen van zijn parochie. Hij trok naar het klooster te Brugge in 1850 om de Kapucijnen uit te nodigen op zijn parochie een klooster te stichten. De Kapucijnen waren zeer blij om in de hoofdstad een vestiging te beginnen maar daar toe moest wel een voldoende uitgestrekt domein aangekocht kunnen worden. 

Tien jaar later werd een groot domein te koop aangeboden. Het was een fabriek van sterk water, eigendom van de erfgenamen Pierre Joseph Vander Elst, gelegen in de Huidevettersstraat en begrensd door de Vossenstraat, Vossejongstraat (het latere Vossenplein) en de Rattenstraat (latere Spaarzaamheidsstraat). De Kapucijnen vroegen toelating aan Fornari, pauselijke nuntoius te Brussel, op 8 juli 1852 en aan het Aartsbisdom op 29 september 1852. 

Op 5 oktober 1852 werd de eigendom aangekocht en de Kapucijnen Benvenutus van Rotterdam, Bonaventura van Grave, Pascal van Lochristi, kwamen op 19 oktober te Brussel aan om hun nieuwe eigendom te betrekken. 

Een van de bestaande gebouwen, gelegen aan de Vossegangstraat, werd verbouwd tot voorlopige kapel en op 11 januari 1853 ingezegend en voor het publiek opengesteld. Met de milde giften van rijk en arm werd een nieuwe kerk gebouwd waarvan de eerste steen gelegd werd op 19 oktober 1854. Op 22 december 1854 overleed pater Justus van Tielt ten gevolge van typhus, opgedaan tijdens de verzorging van de arme mensen in de “steegjes”, aangetast door deze vreselijke ziekte. 

De kerk was onderdak op het einde van november 1855 en werd plechtig geconsacreerd op 19 januari 1856. De kloostergebouwen, gedeeltelijk de bestaande gebouwen en gedeeltelijk nieuwbouw, werden opgetrokken in het verlengde van de kerk. 

In 1866 woedde gedurende een halfjaar de cholera te Brussel. In de omgeving van het klooster zetten de Kapucijnen zich in om dag en nacht de zieken te verplegen en bij te staan. Geen enkele pater stierf ten gevolge van de cholera. De kapucijnen werden alom gevraagd voor de predicatie en assistentie.

De kloostergebouwen, in 1856 in der haast opgetrokken of verbouwd, voldeden niet meer. In maart 1889 besliste men de oude gebouwen af te breken. Op 3 augustus 1889 werd de eerste steen geplaatst van het nieuwe klooster. Bouwmeester was broeder Stanislas van Brugge. In september 1890 werden de nieuwe gebouwen betrokken. 

Op 23 september 1912 werd de kloosterkerk parochiekerk. De eerste in heel de orde. Eerste pastoor werd pater Remi van Aalst. Op de parochie ontstonden verschillende parochiale werken: catechese, scholen, kringen, patronage en jeugdbewegingen. 

Vanaf oktober 1940 nam een kapucijn de zielzorg van de Italianen op zich. In 1947 kwamen twee Italiaanse kapucijnen, Pietro en Barnaba, deze dienst overnemen, later opgevolgd door pater Benedetto. 

Vanuit het klooster deden de kapucijnen dienst in verschillende kerken, kloosters en instituten, o.a. bij blinden, foorkinderen, klinieken, doofstommen en op verschillende parochies. 

In 1949 werd voor de eerste maal, op het feest van Sint-Franciscus, een dierenzegening gehouden. 

In 1973 had het stadsbestuur grootse plannen. De ganse wijk, deel van de Huidevettersstraat naar de Oude Markt toe, zou met de grond gelijkgemaakt worden. Er zouden elegante flatgebouwen en grote kantoorruimtes komen en waar het Kapucijnenklooster stond zou een prachtige ingang van de metro komen. In 1979 werden deze urbanisatieplannen ingetrokken. 

Het klooster zelf ontvolkte en de vrijgekomen ruimte werd voor sociale doeleinden gebruikt: kamers werden verhuurd aan studenten, met de komst van Dr. J. Vermeire, groeide stilaan de gedachte iets concreets te ondernemen voor armen en behoeftigen.In het leegstaande patronaat met ingang aan de Zuinigheidsstraat ontstond Poverello, dat vanaf 1980 zijn eigen weg ging. 

De reorganisatie van de parochiepastoraal in 1980 te Brussel bracht ook mee dat de kerk van de kapucijnen andere functies kreeg. Zo werd ze de ontmoetingsplaats voor de Nederlandse, Franse, Spaanse en Italiaanse pastoraal, ieder met hun eigen pastor. 

In de conciërgewoning naast de kerk richtte p. Walbert Defoort de Vrienden van de Oude Markt op. 

In 1998 werd het klooster opgeheven. In 1983 was het vroeger patronaat, pastorij en tuin aan Poverello verkocht en in 1994 ook het klooster met uitzondering van de voorgevel in de Huidevettersstraat. In 1995 werd de vroegere conciërgewoning verkocht aan ’t Huizeke en in 1996 werd de kerk in erfpacht afgestaan aan het bisdom. Het gebouw in de Huidevetterstraat werd verhuurd en momenteel wordt het gehuurd door Welzijnszorg.

6) Beernem

 

In september 1926 werd het “Staatsgesticht voor ondeugende meisjes” overgebracht naar Namen. In 1928 werd dit gesticht en eigendommen aangekocht door de Broeders van Liefde en werden “de onopvoedbare kinderen” uit Zelzate voorlopig naar hier overgebracht. In 1930 werden ze overgeplaatst naar Gent. Intussen had men tussen 1928 en 1930 een administratiegebouw, een keuken, drie paviljoenen, werkhuizen, een watertoren, een lazaret en een dokterwoning gebouwd zodat de zieken van het Sint-Juliaangesticht in de Boeveriestraat te Brugge naar hier werden overgebracht. 

Omdat de Kapucijnen al dienst verleenden in het Sint-Juliaangesticht, werden zij gevraagd om te Beernem de pastorale zorg op zich te nemen zowel van de broeders als van der zieken. Zo kwamen de Kapucijnen te Beernem op het einde van het jaar 1929. Eerst woonde er P. Hilduard uit Hooglede alleen, maar in juli 1930 kwam P. Odilo van Roeselare hem vervangen. Het hospitium werd officieel opgericht op 25 november 1930. 

Met de Broeders van Liefde werd een overeenkomst gesloten waarbij twee kapucijnen de pastorale zorg op zich namen voor de Broeders en voor de zieken en de Broeders een huis met inboedel ter beschikking stelden. Later (1951) werd ook een kapucijn gevraagd als lesgever in het noviciaat van de broeders en nam men ook de zondagsdienst op zich te Maria-Aalter. 

Zonder onderbreking zijn de Kapucijnen zeventig jaar lang aalmoezenier geweest te Beernem. De laatste van de lange rij was Cyriel Noyez, die op 20 juni 2000 Beernem verliet. 

7) Leuven

 

Nadat de kapucijnen zich vanaf 1586 gevestigd hadden in de drie grootste steden van het land, Antwerpen, Brussel en Gent, kwamen ze in 1591 naar Leuven, met de bedoeling om bij de studerende jeugd talrijke en bekwame novicen te vinden. Het klooster bevond zich op de Kapucijnenvoer en was tot aan de Franse Revolutie het noviciaatshuis van de Vlaamse provincie. Op 27 november 1796 werden de kapucijnen uit hun klooster gezet. In april 1797 werd het klooster verkocht, in 1803 de gebouwen afgebroken en in 1819 kocht de stad het terrein om er een kruidtuin aan te leggen. 

Na het herstel van de orde in de 18e eeuw werd door de generale minister, Bernardus van Andermatt, sterk aangedrongen dat kapucijnen een universitaire vorming zouden volgen. Toen in 1897 de eerste kapucijnen zich inschreven aan de universiteit te Leuven, ging men op zoek naar een verblijfplaats. In 1898 werd een huis gehuurd in de Halfstraat. Zonder het te weten koos men dezelfde straat waar ook de eerste kapucijnen in 1591 een onderkomen hadden gevonden. Men verbleef er enkele maanden totdat men een huis aankocht in de Schapenstraat. Op uitdrukkelijk verlangen van kardinaal Mercier werd in 1917 de oude Kartuizerij aangekocht en heringericht tot een kapucijnenklooster. Vanaf 1921 woonden hier kapucijnen uit binnen- en buitenland die studeerden aan de universiteit te Leuven. 

In al die jaren heeft het klooster te Leuven zijn functie van studiehuis behouden, maar het was ook een huis waar medebroeders ten dienste stonden van de mensen, allereerst uit de eigen buurt. Die verbondenheid heeft in de loop der jaren heel verschillende vormen aangenomen. 

Medebroeders hebben zich dienstbaar gemaakt in zondagspredikatie, vastenpredikatie, volksmissies, retraites, bonden van het H. Hart, weekend assistentie op de omliggende parochies. Anderen waren biechtvader of geestelijke leidsman, directeur van de Derde Orde van Franciscus, begeleider van de bedevaarders die troost en bemoediging zochten aan de grot. Weer anderen waren aalmoezenier in de kliniek, leerkracht in het middelbaar onderwijs, lector bij de conventuelen of professor aan de Universiteit. En dan waren er ook nog die aalmoezenier waren in een jeugdbeweging of op jeugdkampen, die gehuwden en verloofden begeleidden, die werkten voor onze missies in Pakistan en Ubangi, medepastoor waren op de Sint-Jacobsparochie, mislezer in verschillende zusterskloosters en instituten. De lekenbroeders zorgden voor de goede gang van zaken in het klooster als portier, koster, kok, kleermaker of tuinman. Zij vooral gaven een gezicht aan dit klooster.

 

Met de buurt werd heel sterk meegeleefd in de oorlogsjaren van 1940 – 1945. Velen hebben bange uren en nachten doorstaan in onze kelders. Een gedenksteen aan de grot herinnert nog altijd aan die periode. “Gij hebt ons de vree gebracht, na zo menige bange nacht. Daarom dankt en zweert u trouw Onze Lieve Vrouw”.

In 1967 werd het Centrum voor Kerkelijke Studies (CKS) opgericht te Leuven. Een opleidingscentrum voor de priester kandidaten van verschillende ordes en congregaties. Het klooster te Leuven kreeg er toen een nieuwe functie bij. Het werd het studiehuis van de provincie. De seminaries voor filosofie te Brugge en voor theologie te Izegem werden gesloten en onze priesterkandidaten kwamen naar Leuven om aan het CKS hun opleiding te voltooien. Op dat moment was het klooster te klein. De vaste bewoners verhuisden en hun plaats werd ingenomen door de studenten en enkele lektoren. Het was maar van korte duur, want nieuwe kandidaten bleven uit. 

In 1972 bereikte de Vlaamse provincie van de kapucijnen een dieptepunt. De laatste studenten werden priester gewijd en nieuwe kandidaten boden zich nog maar sporadisch aan. In een poging om het tij te keren werd vanaf 1975 het Leuvens klooster kandidatencentrum en noviciaatshuis om nieuwe kandidaten, postulanten en novicen op te vangen en te begeleiden. Meer dan 50 kandidaten zijn hier gepasseerd, veel energie werd in hen gestoken, allen hebben nog de beste herinnering aan dit huis ook al zijn zij andere wegen gegaan.Daarbij kreeg dit huis nog andere functies.

Nadat vanaf 1970 het bestaande gebouwencomplex grondig en vakkundig gerestaureerd was, werd in 1975 in het gebouw aan de Franciscusweg de centrale bibliotheek van de Vlaamse provincie ondergebracht.

Dit huis werd ook de thuisbasis voor onze missionarissen uit Pakistan en Congo. De Missieprocuur en het missiesecretariaat waren er tot 1978 gevestigd. Vanuit Leuven werden grootse missie expo’s georganiseerd en tot vorig jaar vond ook CDI Bwamanda België er onderdak. CDI staat voor ‘Centre de Développement Intégral’, een ontwikkelingsproject dat een integrale streekontwikkeling beoogt in het vroegere missiegebied van de Vlaamse Kapucijnen in het Noord-Westen van Congo, de Ubangistreek en volledig door leken wordt gedragen, zowel in Congo als hier in België.

De Vlaamse kapucijnen hebben zich ook altijd het lot aangetrokken van de marginalen in onze maatschappij, rondtrekkenden zoals zigeuners, woonwagenmensen, van circusmensen, foorkramers, schippers en respect gevraagd voor hun manier van leven. Te Leuven kregen vanaf 1983 meer dan 200 gezinnen van rondtrekkenden hun residentieadres in ons klooster. Elke dinsdag en vrijdag konden zij er terecht voor hun correspondentie en met al hun vragen en miseries. 

Aan dit alles is nu een einde gekomen. Op 21 oktober 2005 verlieten de kapucijnen Leuven en het klooster verkocht aan de KU. Leuven.

 

Bankstraat 75
3000 Leuven
 

Beknopte geschiedenis van het klooster te Leuven

Sedert de oude kartuizerij in 1917 aangekocht werd (zie elders), had de Leuvense fraterniteit als taak medebroeders die aan de universiteit studeerden, gastvrijheid te verlenen. Het betrof hier eerst en vooral de medebroeders van de eigen provincie maar er waren ook medebroeders te gast uit andere landen.

Toen in 1967 het C.K.S. (Centrum Kerkelijke Studies) opgericht werd, kwamen alle jonge medebroeders voor hun filosofische en theologische studies naar het klooster in Leuven. Deze periode duurde niet lang omdat nieuwe medebroeders op zich lieten wachten.

De fraterniteit vervulde ook een vormingsopdracht, allereerst op het vlak van de inleidende vorming. Wanneer er nieuwe kandidaten kwamen, maakten deze hun inleidende vorming door in de Leuvens fraterniteit, althans het postulaat en het post-noviciaat. Voor het noviciaat en het eerste jaar na het noviciaat werd  samengewerkt met de Vlaamse en Nederlandse franciscanen en conventuelen en deze interprovinciale vorming ging door in Eindhoven en Brussel.

Later verleende de Leuvense fraterniteit ook gastvrijheid aan buitenlandse studerende medebroeders, vooral uit Indië.

Het klooster bergde ook de centrale bibliotheek van de Vlaamse provincie die - mits een afspraak te maken - ook door niet-kapucijnen geraadpleegd kon worden. Deze bibliotheek bevatte onder meer de waardevolle werken uit de vroegere uitgebreide bibliotheken van de afzonderlijke kloosters, de werken van en over medebroeders. De bibliotheek was vooral goed voorzien op het gebied van franciscaanse spiritualiteit.

* Het klooster bood ook onderdak aan de burelen van het ontwikkelingsproject C.D.I. Bwamanda. (www.cdibwamanda.be)


 

 

  De oud-kartuizerij te Leuven

DE OUD-KARTUIZERIJ TE LEUVEN

Ongeveer iedere toerist, die de Franse Alpen intrekt, heeft tussen Chambéry en Grenoble “La Grande Chartreuse” op zijn reisroute staan. Dit klooster, de vermaarde bakermat van de Kartuizerorde, ligt op een duizend meter hoogte. Hier stichtte Bruno von Hartefaust (°Keulen 1030) in 1080 de beschouwende orde van de kartuizers. De kartuizers zijn de westerse vorm van de ‘laura’, de oosterse kluisgroep, waarin elke monnik eenzaat is, maar waar er toch een strikt minimum aan gemeenschap bestaat.

Vanuit ‘La Grande Chartreuse’ verspreidde de kartuizerorde zich over de West-Europese landen. In de Zuidelijke Nederlanden vestigde zij zich in de 14de eeuw, nl. te Herne bij Edingen in 1311; te Brugge in 1318; te Kiel bij Antwerpen in 1323; te Rooigem bij Gent in 1328; te Zelem bij Diest in 1329; te Luik in 1357; te Chercq bij Doornik in 1377; te Scheut bij Brussel in 1454 en te Leuven in 1486.

Al deze kartuizerijen werden door een decreet van Jozef II op 25 april 1783 afgeschaft. Een oude muur of poort, een park of een naam aan een straat of een wijk, is bijna alles wat de kartuizerorde in ons land heeft achtergelaten, met uitzondering van de kartuizerij te Leuven, die nog een tamelijk goed voorbeeld geeft van wat een kartuizerklooster was.

Een kartuizerklooster

Het gebouwencomplex van een kartuizerklooster bestond uit:
- een groot pandhof met in het midden een put of een pomp;
- een grote pandgang die de kluizen en de kerk met elkaar verbond;
- 13 of 24 individuele kluizen voor de monniken;
- de gebouwen voor gemeenschappelijk gebruik, rond een kleine pandgang geschikt:
            * kerk en sacristie
            * kapittelzaal
            * afzonderlijke refter voor monniken en broeders
            * keuken
            * bibliotheek, meestal boven, de sacristie en de kapittelzaal
            * een wasplaats en een scheervertrek;
- woon- en werkplaatsen voor de broeders;
- een boerderij;
- een buitenkapel;
- een poortgebouw;
- een gastenverblijf;
rond het eigenlijke kloosterterrein was gewoonlijk een gracht en aan de binnenzijde daarvan een ringmuur.

Dit gebouwencomplex – dat op zich reeds een aanzienlijke oppervlakte bedroeg – lag oorspronkelijk buiten de stad, midden landerijen die aan het klooster toebehoorden. Op deze wijze wilden de kartuizers hun eenzaamheid waarborgen. Toen veiligheidsoverwegingen hen er toe deed besluiten om binnen de stadsmuren een klooster op te richten, probeerden zij ook, voor zover mogelijk, in bezit te geraken van de terreinen die paalden aan het klooster, om voor bebouwing of verkeer in de nabijheid gevrijwaard te blijven.

De inrichting van een kartuizenklooster

Al kenden de kartuizerkloosters geen eenvormige schikking van de gebouwen, omdat men o.a. rekening hield met de bodemgesteldheid en de aanwezigheid van bestaande gebouwen, toch kan men in het algemeen zeggen dat ze als volgt ingericht waren.

Een poort in de kloostermuur of een poortgebouw gaf toegang tot de kartuizerij. In dit poortgebouw woonde de broeder-portier. In of bij de poort was een afdak waar armen werden geholpen.

Door de kloosterpoort kwam men in een ruime binnenplaats waar een boerderij en de werk- en verblijfplaatsen van de lekenbroeders lagen, die in gemeenschap leefden. De cellen van de broeders lagen dikwijls op een verdieping boven de werkplaatsen.

Totaal gescheiden van dit gedeelte, lagen in de grote pandgang de kluizen van de monniken. Zo’n kluis kan men zich voorstellen als een woning met een ommuurd tuintje, op voldoende afstand van elkaar, om de eenzaamheid te waarborgen.

De toegangsdeur bevond zich in de grote pandgang. Naast deze deur was een loket waardoor de monnik zijn maaltijden in ontvangst nam. Door de achterdeur kwam men in een galerij, die zich over de gehele lengte van het tuintje uitstrekte. Aan het eind van deze galerij lag het toilet. De kluis zelf bestond op het gelijkvloers uit een ruimte voor brandstoffen en een werkplaats. Langs de trap kwam men op de bovenverdieping in een voorvertrek met een kleerkast, een tafel en een beeld van de Moeder Gods. Daarnaast lag het eigenlijke woonvertrek met een bedstede, een koorstoel, een kachel, een schrijftafel, een boekenrek en een paar stoelen. Aan het venster was een soort klaptafel waaraan gegeten werd.

Voor de gemeenschappelijke noden had men het kleine klooster, dat o.a. bestond uit de kerk, de sacristie, de kapittelzaal, de bibliotheek, de refter, de keuken, een wasplaats en een scheervertrek.

De kartuizers waren de eerste orde die consequent verzaakten aan een kerk met drie beuken (basilicastijl). Zij ontwierpen een eigensoortige kerk met één beuk (zadelkerk). Een type dat later door de bedelorde werd overgenomen. De lengte van deze kerk was minstens 24 meter en zelden breder dan 8 meter. Om de proportie te behouden was ze redelijk hoog. De kerk bestond achtereenvolgens uit het koor van de broeders, een muur (in de gotische tijd ontwikkeld tot een doksaal), het koor van de monniken en het altaar dat op een verhoog stond. Ze had twee ingangen: een hoofdingang aan de Westkant voor de broeders en een ingang aan de Oostkant voor de monniken. Boven op de nog stond een dakruiter.

De sacristie lag meestal bij het kooreinde van de kerk. Hierbij sloot de kapittelzaal aan. Dikwijls was de bibliotheek in de verdieping boven de kapittelzaal ondergebracht.

De refter van de monniken was een eenvoudige rechthoekige ruimte. Alleen op zon- en feestdagen kwamen zij hier samen voor de maaltijden. Op andere dagen at ieder in zijn kluis. De refter van de broeders grensde aan die van de monniken, doch zo dat men elkaar niet hinderde bij het voorlezen. De keuken sloot hierbij aan.

Elke kluizenarij had ook in het klooster een gastenverblijf voor mannen en een huis buiten het woongedeelte van de religieuzen voor de vrouwen. Voor de omwoners van het klooster was ook een kleine buitenkapel voorzien.

In het algemeen kan men een kartuizerij karakteriseren door het strikt functionele karakter van haar gebouwen die uitmuntten door hun eenvoud en hun beperking tot het noodzakelijke. Oorspronkelijk bestond een kartuizerij uit twee totaal van elkaar gescheiden kloosters die op een twee kilometers van elkaar gelegen waren. Later werden het broeders- en monnikenklooster tot één geheel samengevoegd.

Chronologische bouwgeschiedenis van de kartuizerij te Leuven.

De kartuizerij van Leuven is de derde laatste kartuis die in de Nederlanden gesticht werd. Zij is echter de eerste die binnen stadsmuren werd gebouwd.

Als stichter van de kartuizerij wordt Wouter Henry alias Waterlet genoemd, kapelaan van Karel de Stoute, omdat hij – waarschijnlijk met andere personen – op 19 december 1486 het domein Redingen kocht voor de bouw van een nieuwe kartuizerij. Dit terrein lag tussen wat nu de Bankstraat en de H. Geeststraat is en de stadswallen.

Op 10 december 1489 gaf de stad Leuven toelating tot de bouw, dank zij de tussenkomst van Margareta van York, weduwe van Karel de Stoute. Zij zelf kwam de eerste steen leggen.

De echte bouwwerken begonnen in 1492 nadat de eerste drie religieuzen te Leuven waren aangekomen op 21 oktober 1491.

De bouw van het klooster werd begonnen met het optrekken van twee kluizen in 1492. Vanaf 1495 tot 1502 werden er acht kluizen gebouwd. Van 1504 tot 1508 komen er nog zeven bij en na een onderbreking van tien jaar (1518) nog eens twee. De laatste twee kluizen werden opgericht in 1528. In totaal 21 kluizen.

Met de bouw van de grote pandgang die de kluizen onderling verbond, werd begonnen eind 1497. Men weet dat de grote pandgang werd afgewerkt, maar niet in welk jaar. De kleine pandgang werd eveneens omstreeks 1497 begonnen en ingewijd in 1501. Hij werd afgewerkt in 1529.

De bouw van de kerk gebeurde in twee keer. Op 30 maart 1498 werd de eerste steen gelegd, terwijl omstreeks Pinksteren begonnen werd met het leggen van de fundamenten. De ruwbouw kwam klaar omstreeks 1489. Op 21 januari 1055 werd het kruis op het torentje geplaatst en eind maart 1501 in aanwezigheid van ordes en kerkelijke autoriteiten. In 1528 was het tweede gedeelte van de kerk en het koor van de monniken volledig afgewerkt.

In 1506 werd begonnen met de bouw van een kamer voor gasten en de keuken. Naast de keuken werd een klein huis gebouwd voor de knechten. Pas in 1520 werd begonnen met de bouw van een gastenverblijf en de refter van de religieuzen. Deze gebouwen kwamen klaar in 1521. Tot dan toe gebruikten de monniken één van de kluizen als refter. In 1522 werd de keuken voor de gasten afgewerkt.

De ganse Oostzijde werd in 1530 volledig afgewerkt: in 1529 was men begonnen met de afwerking van de kleine pandgang; bij de kerk werden drie kapellen gebouwd, de sacristie, de kapel van het H. Kruis en de kapittelzaal.

Gedurende de 205 jaar van haar bestaan als kartuizerij kennen we slechts enkele gegevens over veranderingen en aankopen van terreinen.

In 1567 geeft het generaal kapittel opdracht tot de bouw van een kloostergevangenis.
In 1612 kocht men het terrein tussen de H. Geeststraat en de Kapucijnenvoer.
Op 16 augustus 1614 brak er brand uit in de paardenstallen.
In 1718 werd een grote pomp geplaatst in de grote pandhof.
In 1780 werden de kluizen ten Noorden en ten Westen van de grote pandgang afgebroken om van het onderhoud af te zijn.

Het klooster verkreeg in de loop der jaren volgende bezittingen:
Bossen in Holsbeek (1496), in Blanden en Binkom (1513) en in Bierbeek (1612); de hoeve Ter Elst te Heverlee (1508); ’t Overbiest te Korbeek-Dijle (1513) en een hoeve op het grondgebied Loonbeek en Neerijse (1607).

Opheffing van de kartuizerij en verder lotgevallen.

De kartuizerij werd gesupprimeerd door een decreet van Jozef II op 25 april 1783. Tussen 24 en 30 juni 1783 verlieten de religieuzen het klooster. Het jaar daarop werden de meubels en schilderijen verkocht. Het kerkgestoelte is terug te vinden in het koor van de Sint-Michielskerk te Leuven, in de kerk van Kortrijk-Dutsel bij Leuven, en een gedeelte bevond zich te Bertem en werd, met de restauratie van deze romaanse kerk, omgewerkt tot houtwerk voor de sacristie. Het hoofdaltaar werd overgebracht naar de parochiekerk van Tremelo. De monumentale pomp uit de pandhof bevindt zich thans in de Tiensestraat te Leuven.

Het gebouw is meerdere malen gebruikt geweest als kazerne. Door de soldaten werd er mettertijd veel schade berokkend. Vooral noodlottig voor de gebouwen was een ontploffing van verscheidene wagens munitie van het Franse leger in 1793.

Tijdens de Franse revolutie ging men over tot het verkopen van de kartuizerij. In 1806 werd de kerk afgebroken.

Wat eer nu van overblijft.

De toegangsweg naar het huidig klooster, die de Bankstraat met de Tervuurse Vest verbindt, splitst de oude kartuizerij in twee grote delen. Het ene Oostwaarts naar de Kapucijenvoer toe, omvat de vroegere communiteitgebouwen van de kartuizerij samen met de  gesloopte kerk. Het andere deel strekt zich Westwaarts uit, in de richting van de Tervuurse Poort. Hier stonden de kluizen van de monniken langs de grote pandgang. Het enige wat er van overblijft zijn de bouwvallige buitenmuren van de pandgang. Wie aandachtig toekijkt zal nog de sporen ontdekken van deuren die toegang gaven tot de kluizen of van luikjes waar het eten werd doorgegeven. Ook ziet men hier en daar nog vermergelde kapitelen die de ribben der gewelven ophielden. Alleen de muur die gelijkloopt met de Franciscusweg vertoont, wanneer men van de Bankstraat komt, de bouwtrant van de galerijen zoals hij er uit zag aan de kant van de pandgang. Men merkt er nog de contreforts, schoormuurtjes en toegemetselde vensters.

De twee poorten op de Franciscusweg en de poort die toegang geeft tot de moestuin zijn niet oorspronkelijk. Zij werden gebouwd in de jaren ’20, enigszins naar het model van een barokpoort die nog in de groep van de centrale gebouwen bewaard bleef.

Van de centrale gebouwen is vermoedelijk het gastenverblijf, de refters, de kapittelzaal, de H. Kruiskapel en de sacristie overgebleven. Vermeldenswaard zijn de gotische gewelven in de kapittelzaal, de priorkapel en de sacristie.

(Br. Stan Teuns, Handdruk jg. 35, nr. 2 april 2005)

 De  Kapucijnen te Leuven vóór en na de Franse revolutie

(Wij danken Br. Stan Teuns voor dit boeiend artikel dat overgenomen werd uit "Handdruk" jg. 35, nr. 3, juli 2005)

Het eerste klooster

Nadat de kapucijnen zich gevestigd hadden in de drie grootste steden van het land, Antwerpen, Brussel en Gent, de oude burchten van het stervend Calivinisme, zouden ze gelijktijdig te Leuven en te Douai een nieuwe stichting beginnen, de twee plaatsen van het land waar een hogeschool gevestigd was. De bedoeling is duidelijk en sommige oude teksten zeggen het duidelijk: Men wilde in die centra onder de studerende jeugd talrijke en bekwame novicen vinden.

Reeds in de eerste weken van 1591 probeerde men dat te Leuven, maar het zou een moeilijke onderneming blijken. Men stuurde twee predikanten, Joannes van Landen en Jacobus van St-Omaars, naar de universiteitsstad. Leuven maakte echter in die jaren een vreselijke crisis door als gevolg van de oorlogen en onlusten van de 16de eeuw.

Veel inwoners waren gevlucht omdat zij voordurend geplunderd werden door slechtbetaalde militairen die van roof en diefstal leefden. De pest had in 1578-79 drie vierde van de bevolking weggemaaid, zodat meer dan 2000 woningen werden afgebroken en hele straten verdwenen. In 1597-98 telde het eens zo bloeiende Leuven slechts 6.868 volwassen inwoners.

In die omstandigheden bleek een stichting van een kapucijnenklooster moeilijk uitvoerbaar. Joannes en Jacobus vonden genoeg blijken van genegenheid, ook van de burgemeester, maar weinig daadwerkelijke hulp. Voorlopig namen ze hun intrek in een vochtig huis naast het klooster van de Elfduizend Maagden, in de Halvestraat, rechtover een arm van de Dijle, maar toen bleek dat niemand hen kon helpen verlieten zij de stad. Spoedig echter zouden de zaken een nieuwe wending nemen.

Nauwelijks weren ze vertrokken of Jacobus de Bay (Bajus), een neef van de bekende theoloog Bajus en zelf doctor in de theologie, voorzitter van het Savoy-college en later deken van Sint-Pieter schonk een erf, dicht bij de Voer.

Het erf zelf was te klein voor een klooster en daarom stelde Bajus aan de eigenares van het aanpalende erf voor haar eigendom te verkopen, maar zij weigerde. Men besliste dan toch maar op het beschikbare terrein een klooster te bouwen. In juli 1591 begon men met de bouwwerken, waarvan br. Masseüs van Grave, na zijn professie op 12 augustus, de leiding overnam. Het werk ging vlug vooruit, zodat men reeds op 8 maart 1592 het nieuwe klooster, met ingang aan de H. Geeststraat, kon betrekken. Intussen bouwde men verder. Bereidwillige medeburgers voerden stevige eiken aan uit het Meerdaalwoud "tot behoeff van de Ordre van de Capochienen, tot maeckinghe van hunne capelle". Deze kerek werd op 27 januari 1595 ingewijd.
Intussen was echter de buurvrouw gestorven en had haar eigendom overgelaten aan haar dochter. Ook deze wilde het erf niet verkopen aan de kapucijnen. Zij verhuurde het huis, maar nauwelijks hadden de nieuwe bewoners het huis betrokken, of het begon er te spoken! Het tinnen keukengerief ging aan het dansen op planken en rekken; een huisdier werd door een onzichtbare hand geplaagd en doodgemarteld. Onder de gedaante van een rosse boer, verscheen een kwade geest, die de huisvrouw kwam plagen en storen. Spoedig daarna zegde zij de pacht op. Bajus zelf hoorde het verhaal van de geplaagde buurvrouw.

Daarop betrokken twee gezusters het huis. Reeds de eerste nacht kwam de kwade geest met groot gedruis van de zoldertrap gestormd, viel de slaapkamer binnen en trok één van de vrouwen bij de haren omhoog. Na angstig bidden, het aansteken van de gewijde kaars en de belofte om onverwijld het huis te ontruimen, week het spook. Maar diezelfde nacht kwam het spook hen voor een tweede maal verschrikken. Men kan zich voorstellen dat ze zich 's morgens haastten om het gevloekte huis te ontruimen.

Spoedig  stond heel de buurt in rep en roer om het gebeurde en nog dezelfde dag (26 maart 1592) kwam de eigenares, samen met haar voogden, Bajus opzoeken en tegen de middag werd  hij de koper van het eigendom. Hij schonk het natuurlijk aan de kapucijnen en de boze geest wachtte zich wel nog ooit terug te keren.

Deze spookgeschiedenis vertelt Bajus zelf in een brief van 10 juni 1598 aan D. de France, voorzitter van de provinciale raad van Assisië en Joannes van Landen en Masseüs van Grave bevestigden de waarheid van het gebeurde. Masseüs verklaart dat hij de grond van het verhaal als echt kan waarborgen. Hij heeft de twee gezusters het huis zien betrekken en kort daarop weer verlaten en van de eerste bewoonster heeft hij het verhaal van haar lotgevallen vernomen. Spoken of geen spoken, het belangrijkste is toch wel dat de kapucijnen dit aanpalend erf verwierven.

Het tweede klooster op de Kapucijnenvoer

Omdat het aantal novicen bleef toenemen en de oversten beslisten het noviciaatshuis definitief te Leuven te vestigen, werkte men vanaf 1611 aan de uitbreiding van de eigendom en keek men uit naar geldmiddelen om een nieuw, ruimer klooster te bouwen. Het eerste klooster, dat gebouwd was voor een tiental kapucijnen, bleek veel te klein en met uitzondering van het koor en de slaapplaats, bestond het uit onderaardse kamers en kelders.

In 1611 kocht men een nabijgelegen huis en erf aan, in 1613 schonk de stichter Bajus nog een nabijgelegen tuin en boomgaard en op 14 juli 1615 kreeg men nog een stukje grond dat tussen het klooster en de Voer lag. Aartshertog Albert en de universiteit zorgden in 1612 en 1613 voor een ruime toelage.

Onder leiding van P. Albertus van Gent en na ham, P. Lodewijk van Brussel, bouwde men een nieuw klooster. De ingang kwam nu aan de Kapucijnenvoer, recht tegenover de Minderbroedersstraat. In september 1613 legde Bajus de eerste steen van het nieuw gebouw. Vanaf 1615 vestigde men er het noviciaat. Mgr. Zoes, gedelegeerd door aarstbisschop Hovius, wijdde eers op 4 oktober 1618 de kerk.

Over het leven in het klooster is verder weinig bekend omdat het archief van het klooster verloren ging met de Franse Revolutie. Het weinige dat we weten, heeft P. Hildebrand samengebracht.

De kerk was heel klein en arm aan kunstwerken. Boven het hoofdaltaar hing een doek van Gerard Segers; de verheerlijking van Maria, patrones van de kerk en elders in de kerk een afbeelding van Jezus, die de Cedronbeek doorwaadt.

De ingang van het klooster lag links van de kerk en was bereikbaar via een brug over de Voer. Zoals elk kapucijnenklooster vormden de gebouwen een vierkant met een pandhof in het midden. In 1629 was er plaats voor 35 kapucijnen, en in 1725 voor 41 omdat men toen ook de logeerkamers als woonruimte gebruikte.
De tuin, waar nu de Kruidtuin ligt, strekte zich uit van de Voer tot de Heilige Geeststraat en had toen al een vijver die in 1736 nog vergroot werd.

 

Het klooster telde rijke vrienden en weldoeners. Onder hen natuurlijk Jacobus de Baye, stichter van het klooster, priesters, adellijke families, universiteitsprofessoren, vrome dames, handelaars, de abten van de abdijen van Vlierbeek, het Park, de Sint-Gertrudisabdij, zusterkloosters, rijke families van novicen. Merkwaardig is wel dat het klooster in de eerste helft van de 17de eeuw zo dikwijls vanwege Nederlandse katholieken milde aalmoezen ontvangt. Velen zijn wellicht vrienden en bewonderaars van P. Johannes Evangelista van ’s Hertogenbosch, maar ook telde men in die jaren een belangrijk aantal Noord-Nederlandse novicen.
Leuven diende bijna altijd tot noviciaat. Het aantal novicen schommelde lange jaren tussen de 20 en 30. Zo woonden er in 1755 40 kapucijnen waarvan 10 paters, 3 broeders en 27 novicen. Vanaf 1773 waren er 16 paters, 4 broeders en 11 novicen. In 1796 verbood hij nog novicen aan te nemen en van dan af bleef het klooster bewoond door 12 paters en 4 broeders.

Noviciaat

De opleiding van de jonge kapucijnen is het werk van de Magister of Novicemeester. Tweemaal per dag kregen zij een onderrichting. Ze leerden de Orde kennen, moesten trek krijgen naar eenzaamheid, armoede en het onderhouden van de Regel, ze leerden de techniek aan van gebed en meditatie en ook werd hen de weg gewezen naar de beschouwing. De novicen bleven helemaal afgezonderd van de anderen. Ze mochten nooit op straat komen.
Ook al waarschuwde men tegen overdreven uiterlijke strengheid, toch bleven allerlei buitengewone verstervingen tot na 1760 in gebruik. Wanneer een novice graag had gevast, kreeg hij bevel om eens overvloedig te eten; en daarna werd hij voor een gulzigaard en veelvraat uitgescholden. Bij feestmaaltijden kreeg men het bevel om met hongerige maag de refter te verlaten. Soms gebeurde het dat de gardiaan onvoorziens al kokend van gramschap opdaagde en de novicen begon uit te schelden, om te zien hoe hij daarop zou reageren.

Tijdens het noviciaat stemde de communiteit driemaal over de kandidaat, gewoonlijk na 4, 8 en 10 maanden. De stemming gebeurde met erwten en bonen, bonen waren ten gunste van de kandidaat en erwten tegen hem.

De geschriften die de novicen veel gebruiken waren deze van Benedictus van Canfield en Joannes-Evangelista van ’s-Hertogenbosch.
In 1701 gaf Albertus van Den Bosch te Leuven een boekje uit voor de novicen: De Boom des levens met onderwerpen als de manier om de dag godvruchtig door te brengen, de meditatie, biecht, communie en jaarlijkse retraite. Antonius van Tienen herwerkte in 1718 te tekst die te Leuven werd uitgegeven onder de titel van Geestelycke Oeffeninge voor de novitien. Waarschijnlijk zijn deze beide geleidelijk in het noviciaat ontstaan uit de lessen, de ervaring, de leer en de praktijk van de verschillende novicemeesters. (H. VIII, 443-486).

Apostolaat

Te Leuven waren de kapucijnen heel populair. Tot aan de Franse revolutie traden meer dan 150 Leuvenaars in bij de kapucijnen.

Asielrecht

We weten dat altijd een kapucijn de ter dood veroordeelden bijstond. Ook kende het klooster te Leuven, zoals alle kloosters het asielrecht, waardoor vervolgde misdadigers daar niet mochten opgepakt worden. Te Leuven werd van dit recht dikwijls gebruik gemaakt, zoals blijkt uit een tekst die eigenlijk betrekking heeft op het eigendomsrecht van een perceel grond tussen de kerk en de Voer: “Soo is ’t noch daerenboven, dat wy altyt, van dien tyt af (nl. 1615) tot nu toe, sonder de minste twyfelinge, dat erfken hebben gehouden voor een plaetsken van vrydom; en tot teecken van dien, hebben wel somtyts eenige, die tot ons quaemen gevlucht, laeten staen voor de deure van het convent op het voors. Erken (naementlyck als wy overlast waeren met andere diergelycke vluchtelingen), hun verklaerende dat sy daer soo wel waerenals in ons convent.”

Zorg voor pestlijders

Het verzorgen van pestlijders in een oude traditie bij de kapucijnen.
Meer dan 200 kapucijnen hebben tussen 1595 en 1669, toen de laatste epidemie onze streken teisterde, hun leven gegeven in dienst van de pestlijders. Gedurende de pest van oktober tot december 1635 stierven in het klooster te Leuven tien religieuzen, waaronder P. Joannes-Evangelista van ’s Hertogenbosch. In 1669 werd P. Bernardus van Brussel besmet met de ziekte, maar genas, terwijl de paters Ambrosius van Borgloon en Florianus van Weesp beiden bezweken aan de besmetting. Een oud document beschrijft ons het geluk van de kapucijnen uitgekozen voor de dienst aan de pestlijders: “Zij begaven zich met vreugde naar hen toe, het lot van de overledenen benijdend. De bruid die nar het altaar gaat heeft in haar hart minder vreugde dan de monniken die de huizen en onderkomens van de besmetten bezoeken. Opgewekt en vrolijk verschonen zij lakens en bedden, ondersteunen zij de zieken onder armen en schouders; zij wassen hun wonden, verbinden hun ledematen, ontsmetten hun wonden. Zij hebben alleen maar troostende woorden. Wat de doden betreft, zij sluiten hun mond en ogen en wassen en kleden hen op tedere wijze, daarna vertrouwen zij hen toe aan de aarde onder een eerbaar graf. Intussen bedelen zij van deur tot deur voor mondvoorraad, linnen en stro nodig voor hun beschermelingen.”

Bij de kapucijnen gaf de zorg aan de pestlijders aanleiding tot het bouwen van pesthuizen in de tuin. Deze huisjes waren niet bestemd voor de pestlijders maar wel om de kapucijnen af te zonderen die zich het lot van de pestlijders aantrokken. In Leuven bestonden reeds vóór 1667 twee pesthuizen in de kloostertuin.

Predikatie

Het voornaamste apostolaat van de kapucijnen was de predikatie. Naarmate het katholieke leven in onze streken herleefde en georganiseerd raakte, vervulden de kapucijnen hun preekbeurten als vaste predikanten voor advent, vasten, feestdagen en zondagen. Uit een niet gedateerd document weten we dat de kapucijnen te Leuven preekten in de Sint-Pieter-, Sint-Michiels- en Sint-Jacobskerk, in de Sint Gertudisabdij, het klein Begijnhof en in verscheidenen zusterkloosters. Aanvankelijk preekten zij bijna uitsluitend in de steden maar later bereidde de prediking zich ook uit naar de parochies op het platteland, vooral toen vanaf de achttiende eeuw het biechthoren toenam. Het preken in eigen kerken werd niet bevorderd en het beperkte zich meestal tot predikaties bij franciscaanse feestdagen.

Het volks karakter van hun predikatie blijkt bijvoorbeeld uit een anoniem pamflet van 1714 waarin staat dat een kapucijn uit het klooster van Leuven over de boodschap van de engel Gabriël zei: “Hier … heeft dien goddelijken gezant, 9 uren lank met Maria moeten disputeren, eer hij haer toestemming heeft bekomen. Ondertusschen de zielkens van oude patriarchen en propheten, als ook veele engelen stonden aen de deure, en luysterden door het sleutelgat om te weten hoe het zou afloopen…”

Biechthoren

De zorg om teruggetrokken te leven, de vrees van conflicten met de pastoors en de zogenaamde gevaren verbonden aan het biechthoren van leken, verklaren de weerstand die de kapucijnen lange tijd hadden tegen het biechthoren. Te Leuven hoorde men  geen biecht op enkele uitzonderingen na, zoals bijvoorbeeld van de juffrouwen de Cottereau, gezegd de Westmael in 1642. Zelfs nog in 1725 hoorden de kapucijnen geen biecht, tenzij zoms van zieken of van een of andere persoon. Pas vanaf 1735 plaatste men in alle kloosters biechtstoelen.
De beperkingen door de oversten van de Orde gesteld aan dit ministerie hebben heel wat kapucijnen niet belet om een voorname rol te spelen als raadgever en geestelijke directeur, zoals Joannes Evangelista van ’s Hertogenbosch.

Hulp bij brand

Voor de Franse Revolutie waren de kapucijnen in vele steden officieel met de branddienst belast. Te Leuven waren het wellicht de recolletten die deze dienst op zich namen. Maar zoals blijkt uit de autobiografie van Auxilius Vervisch hielp hij in 1768 te Leuven bij een brand.
In het Ceremoniaal te Leuven verschenen in 1759 lezen we: "Als een brand uitbreekt in een stad, snellen de religieuzen, met toelating van de overste, naar de plaats van de ramp, met opgetrokken kleren en met zich meedragend het gereedschap dat de stad hen met die doel heeft toevertrouwd.
Nochtans houdt de overste vier of vijf paters thuis, nargelang hij het nodig acht, om het office te zingen. Enkele paters zullen trachten de waardevolle voorwerpen uit de brand te redden, in hun mantels  op te bergen en zorgvuldig te bewaren: in feite is dat het meest nuttige dat zij kunnen doen. Anderen dragen water aan. De sterksten bestijgen de ladders en met grote voorzichtigheid. Ze weken erover niet van elkaar gescheiden te worden maar ze blijven met 4 of 5 samen. Niemand van hen gaat alleen een huis binnen. Eenmaal de brand geblust of het gevaar geweken, keren zij alleend naar het klooster terug."

Opheffing van de Orde

Zoals in andere landen van Europa, kwam in de tweede helft van de achttiende eeuw ook in de Nederlanden een reactie tegen het kloosterleven. Men vond dat er teveel religieuzen waren en om hun getal te verminderen begon men in 1772 de professtie te verbieden voor het voltooien van het 25ste levensjaar.  Voorlopig bleef alles bij het oude en men zette ongestoord het normale leven verder, al was de rekrutering wat minder dan vroeger.

Toen in 1780 keizerin Maria-Theresia overleed werd zij door haar zoon Jozef II opgevolgd en onder zijn bestuur werd het decreet over de onafhankelijkheid van de kloosterorden op zijn grondgebied ondertekend. Voortaal waren alle betrekkingen met oversten en kloosters van een en dezelfde orde in een congregatie verenigd. Aan het hoofd van elke congregatie kwam een nationale overste of visitator die vier jaar in functie bleef.

Door dit decreet werden de Vlaamse en Waalse provincie verenigd en werden Ieper, Menen en Veurne ingelijfd bij de ontstane congregatie, terwijl zeven kloosters op Luiks gebied vanaf 16 september 1782, de custodie van de H. Drievuldigheid vormden. Op 21 juni 1782 werd het eerste Nationaal kapittel gehouden te Brussel. Voordien was men overeengekomen de verdeling in provincies te behouden onder de naam van commissariaat.

Toen in 1786 Jozef II ook in de Oostenrijkse Nederlanden een Seminarie Generaal wilde inrichten, weigerden de kapucijnen op energieke wijze hun studenten daarheen te sturen. De visitator P. Willem van Duisburg werd in ballingschap gestuurd. Toen de eerste assistent, Godfried van Aalst, op zijn beurt werd aangemaand het bevel uit te voeren, schreef deze een opeen brief aan de keizer, waarin hij zegde eerder aan God dan aan de keizer te zullen gehoorzamen. Ook deze kapucijn werd verbannen. Jozef II, verontwaardigd over de rebellie van de kapucijnen, dacht er aan al hun kloosters in de Nederlanden op te heffen. Daar kwam niets van terecht omdat intussen de Raad van Brabant zijn misnoegen had laten blijken naar aanleiding van de bestuurlijke en rechterlijke reorganisatie van het land. De ballingen keerden als overwinnaars terug en zij kregen zelfs de toelating om nieuwe kandidaten in te kleden. Het Seminarie Generaal bleef bestaan en toen Wilhelmus opnieuw weigerde de kapucijnen er naar toe te sturen werd hij opnieuw verbannen. Pas na het krachtdadig optreden van kardinaal van Frankenberg werd op 20 november 1789 het Seminarie officieel afgeschaft.

Opheffing tijdens het Frans bewind

Intussen was de Brabantse Omwenteling uitgebroken en de Oostenrijkers voorlopig verdreven. Op het kapittel van 1790 werd de oude toestand hersteld en kozen de Vlaamse en Waalse provincie opnieuw hun eigen provinciaal. Deze toestand bleef ongewijzigd maar toen de Oostenrijkse Nederlanden in 1795 bij Frankrijk werden ingelijfd, was de opheffing van alle kloosters niet ver meer af. Het decreet verscheen op 1 september 1796. Tegen de opheffing ontstond er eigenlijk weinig weerstand,het bleef bij een schriftelijk protest.

Het aantal leden in de meeste kloosters was al gevoelig gedaald. Nemen we enkele voorbeelden uit de Vlaamse provincie: Te Antwerpen was het aantal van 60 in 1755 gedaald tot 40 in 1796; te Brussel van 66 naar 38; te Leuven van 40 naar 16; te Tervuren van 32 naar 15, te Tienen van 23 of 24 naar 16, te Meersel van 26 naar 16 of 17; te Brugge van 42 naar 35; te Dendermonde van 31 naar 20.

De feitelijke opheffing gebeurde nadat eerst een inventaris van het klooster- en kerkbezit was opgesteld en aan de religieuzen een bon werd aangeboden. Twintig dagen na het aanbieden van de bons werden de religieuzen uit hun klooster gezet en de bezittingen openbaar verkocht. De uitdrijving had plaats tussen november 1796 en april 1797.

Tijdens de uitdrijving verklaarden vele kapucijnen aan de commissarissen van de Republiek trouw te willen blijven aan hun levenswijze en gemeenschapsleven. Natuurlijk werden zij verspreid.

Wat de edelen van trouw betreft waren de kapucijnen sterk verdeeld, zoals trouwens heel de Belgische clerus. Nochtans in hun rangen vormen de gezworenen een uitzondering. Men weet dat het Directoire van de geestelijken de eed van haat aan het koningschap en van trouw aan de Republiek eiste vanaf 5 september 1797 (18 fructidor) en toen naar aanleiding van de Boerenkrijg de Fransen meenden een bewijs te hebben gevonden dat de geestelijkheid de bevolking opruide, begon men overal onbeëdigde priesters op te sporen. 8700 Belgen werden veroordeeld tot deportatie, slechts 600 werden effectief opgepakt. Onder hen waren 32 kapucijnen die verbannen werden naar Guyana, de eilanden Rhé en Oléron waar zij in het algemeen gesproken een jaar verbleven. Velen stierven in gevangenschap.

Na de staatsgreep van Napoleon op 9 november 1799 werd de eed van haat aan het koningschap vervangen door een eenvoudige belofte van trouw aan de grondwet. Begin 1800 werden de gevangenen priesters vrijgelaten en mochten de gedeporteerden terugkeren. Op 15 augustus 1801 werd het concordaat tussen Frankrijk en Rome afgekondigd.

De religieuzen waren bitter ontgoocheld: hun kloosters waren ze voorgoed kwijt en recht om te reclameren hadden ze niet, omdat de wereldgeestelijken als vergoeding  ontvingen, wat men hoofdzakelijk van kloosters en abdijen had gestolen. Het concordaat bepaalde niets over kloosters. Deze nieuwe toestand scheen dan ook het kloosterleven onmogelijk te maken. Vanuit Rome schreef de generale minister op 17 september 1803 aan de provinciaal, Godfried van Aalst, dat hij zich aan de nieuwe toestand moest aanpassen en zichzelf en zijn gewezen medebroeders beschouwen als eenvoudige wereldgeestelijken, onder het gezag van de plaatselijke bisschop.

De kapucijnen die na de opheffing eerst zoveel mogelijk in burgerhuizen samen woonden maar door de vervolging van de onbeëdigde priesters meer verspreid leefden, zochten elkaar weer op na het afkondigen van het concordaat. In vele Vlaamse steden werden kleine residenties ingericht die echter geleidelijk aan uitstierven. Anderen bleven waar ze waren en leerden van hun pensioen, de inkomsten van hun werk zoals het geven van onderwijs of vergoeding voor geestelijke bedieningen, of van de steun van vrienden en familieleden. Anderen verdienden hun kost door handenarbeid, veelal door een vak dat ze in het klooster beoefenden zoals schoenmaker, tuinier of kok. Na het concordaat werden verschillende paters voorlopig of blijvend aan een kerk verbonden als mislezer, biechtvader, kapelaan of pastoor, anderen bewezen dienst in gevangenissen of gasthuizen. Anderen trokken naar andere landen om daar het religieuze leven verder te kunnen zetten. Men ontmoet ze zowat overal in Europa.

Vanuit Brugge waar men, dank zij vrienden en weldoeners, het klooster omzeggens altijd bleef bewonen zou het kapucijnenleven weer ingericht worden in onze streken.
Na de Franse revolutie

Nadat de kapucijnen op 27 november 1796 door de Franse gendarmen werden buitengezet, keerden zij goed honderd jaar later, in 1897, terug. Ze hadden in de Schapenstraat een huis gevonden voor de kapucijnen die aan de Katholieke Universiteit van Leuven studeerden. We hadden goed gevormde lectoren nodig voor de opleiding van de priester kandidaten in onze eigen seminaries te Brugge en te Izegem. Ook kapucijnen uit ander provincies wilden te Leuven studeren. In de Schapenstraat kon men onmogelijk uitbreiden en daarom werd in 1919 het vroegere kartuizerdomein gekocht. Het duurde twee jaar vooraleer deze ruïne bewoonbaar was, maar vanaf 8 december 1921 werd deze plaats onze vaste stek.

In al die jaren heeft het klooster te Leuven zijn functie behouden van studiehuis, maar het was ook een huis waar wij als kapucijnen, als volgelingen van Franciscus, ten diensten wilden staan van de mensen, allereerst uit de eigen buurt. Die verbondenheid heeft in de loop der jaren heel verschillende vormen aangenomen. Heel wat kapucijnen hebben hier voor een korte of lange periode gewoond.

Studenten uit onze eigen provincie maar ook uit Nederland, Frankrijk, Italië, Spanje, Ierland en de laatste 30 jaar uit Kerala in India. Paters en broeders, vriendelijke maar ook norse, geleerde maar ook volkse figuren, vrome maar ook wereldse, gedienstige maar ook hooghartige, verstrooide maar ook gedrevene, spraakzame maar ook zwijgzame, luidruchtige maar ook stille die in alle eenvoud de mensen uit de buurt een goed hart toedroegen. Ieder van de medebroeders heeft op eigen wijze zich dienstbaar gemaakt in zondagspredikatie, vastenpredikatie, volksmissies, retraites, bonden van het H. Hart, weekend assistentie op de omliggende parochies. Anderen als biechtvader of geestelijke leidsman, als directeur van de Derde Orde van Franciscus, als begeleider van de vele bedevaarders die troost en bemoediging zochten aan de grot. Weer anderen waren aalmoezenier in de kliniek, leerkracht in het middelbaar onderwijs, lector bij de conventuelen of zelfs professor aan de Universiteit. En dan waren er ook nog die aalmoezenier waren in een jeugdbeweging of op jeugdkampen, die gehuwden en verloofden begeleid in Mariage Encounter, die werkten voor onze missies in Pakistan en Ubangi, medepastoor waren op de Sint-Jacobsparochie, mislezer in verschillende zusterkloosters en instituten.

Vooral de broeders niet priesters mogen we niet vergeten. Zij zorgden voor de goede gang van zaken in het klooster als portier, koster, kok, kleermaker of tuinman. Zij vooral gaven een gezicht aan dit klooster. Met dankbaarheid gedenken wij al deze medebroeders die zich van hieruit ingezet hebben voor mensen, hen nabij waren in goede en kwade dagen, in vreugde en verdriet.

Met de buurt hebben we heel sterk meegeleefd in de oorlogsjaren van 1940-1945. Velen hebben met de medebroeders van toen, bange uren en nachten doorstaan in onze kelders. Een gedenksteen aan de grot herinnert nog altijd aan die periode. “Gij hebt ons de vree gebracht, na zo menige bange nacht. Daarom kreeg dit huis nog andere functies. Nadat vanaf 1970 het bestaande gebouwencomplex grondig en vakkundig gerestaureerd was, werd in 1975 in het gebouw aan de Franciscusweg de centrale bibliotheek van de Vlaamse provincie ondergebracht.
Dit huis werd ook de thuisbasis voor onze missionarissen uit Pakistan en Congo. De Missieprocuur en het missiesecretariaat waren er tot 1978 gevestigd. Vanuit Leuven werden grootse missie expo’s georganiseerd en tot vorig jaar vond ook CDI Bwamanda België er onderdak. CDI staat voor “Centre de Développement Intégral”, een ontwikkelingsproject dat een integrale streekontwikkeling beoogt in het vroegere missiegebied van de Vlaamse kapucijnen in het Noord-Westen van Congo, de Ubangistreek en volledig door leken wordt gedragen, zowel in Congo als hier in België. De Vlaamse kapucijnen hebben zich ook altijd het lot aangetrokken van de marginalen in onze maatschappij, rondtrekkenden zoals zigeuners, woonwagenmensen, van circusmensen, foorkramers, schippers en respect gevraagd voor hun manier van leven. Te Leuven kregen vanaf 1983 meer dan 200 gezinnen van rondtrekkenden hun residentieadres in ons klooster. Elke dinsdag en vrijdag konden zij er terecht voor hun correspondentie en met al hun vragen en miseries.

Aan dit alles is nu een einde gekomen. Zoals elke orde of congregatie in West-Eruopa hebben ook de Vlaamse kapucijnen al enkele decennia te kampen met gebrek aan roepingen en met vergrijzing. In het begin van de 20ste eeuwe was de gemiddelde leeftijd van de 238 kapucijnen nauwelijks 33 jaar. In 2004 zijn er nog goed 80 kapucijnen in Vlaanderen met een gemiddelde leeftijd van 72 jaar. Het zal u dan ook niet verwonderen dat Leuven het tiende klooster is dat gesloten wordt.

 

8) Brugge Komvest Het werk voor de schippers

 

In december 1896 startte een eerste poging voor een georganiseerd schipperswerk te Brugge. In 1908 werd de Vrije Schippersbond gesticht. De volgende stap was een schippershuis, waar het bestuur van de bond werd ondergebracht, een kantoor voor bevrachting en ook een school voor schipperskinderen. Langs de Sint-Pieterskaai werd in 1911 het eerste schippershuis opgericht. In 1913 werd de Schippersschool erkend. 

In 1911 werd door pater Luciaan ook een christelijke dokwerkersbond gesticht. Het schipperswerk leed een zware tegenslag met de Eerste Wereldoorlog. De binnenscheepvaart lag stil, de school werd in 1915 door de Duitsers opgeëist. Na de oorlog nam het schipperswerk zijn intrek in een gammele barak die de Duitsers hadden achtergelaten in de tuin van het klooster in de Clarastraat. Met de komst in 1924 van P. Tillo van Izegem en P. Didac van Pittem kreeg het schipperswerk een vaste vorm. Aan hen dankt het schipperswerk het gebouwencomplex langs de Komvest dat herhaaldelijk werd uitgebreid en bijgebouwd. 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen de schippers een nieuwe klap te verwerken. De school werd opnieuw opgeëist, vele schippers raakten hun schip kwijt, de schippersbond werd verboden. In 1944 werd de school heropend, de schippersbond werd nieuw leven ingenblazen. In 1954 stichtte pater Didac de Bond van Eigenschippers en instaat voor inning van vrachten, juridische bijstand, sociale wetten, goedkope leningen, slooppremies, enz.

In de jaren zeventig veranderde de levenswijze van de schippers. Vroeger waren zij aan hun schip gebonden. De auto, de televisie, het eigen huis hebben vele veranderingen meegebracht en het geïsoleerde schippersleven doorbroken. In 1989 werd de lagere school afgeschaft bij gebrek aan leerlingen. In de gebouwen werd in 1993 een middelbare Steinerschool gevestigd. Het internaat voor schipperskinderen werd ook voor anderen opengesteld en de leerlingen volgden onderwijs in verschillende Brugse scholen. Aan dit alles kwam een einde en tussen 1998 en 2006 werden grond en gebouwen verkocht.

9) Aalst

 

Geschiedenis

Na een lange afwezigheid keerden de Kapucijnen in 1909 terug in Aalst.

Op 27 maart 1910 werd de kerk gewijd. Het klooster werd ingericht als studiehuis, dat in 1932 naar Brugge verhuisde omdat in Aalst het Sint-Laurentiuscollege startte.
Het college werd in 1966 opgeheven.

In 1968 werd in de kerk de Sint-Antoniusparochie opgericht.

Op 1 september 2009 verlieten de broeders het klooster te Aalst.

Kapucijnen verlaten klooster in Aalst. Het hing al een hele tijd in delucht: de kapucijnen zouden ook het klooster in Aalst verkopen. Zowel voor het bestuur als voor de andere medebroeders was het moeilijk om deze beslissing te nemen en met hart en ziel te aanvaarden. Aalst is toch voor het overgrote deel van de kapucijnen heel belangrijk geweest omdat zij daar in het St. Laurentiuscollege hun humaniora volgden. Ook vele andere mensen, die geen kapucijn werden, denken met heimwee terug aan die eigentijdse vormingsperiode uit hun jongelingsjaren. Na jaren onderhandelen is het nu zover.  Zowel klooster als college zijn van de hand. Op 1 september verlieten de vier kapucijnen die nog in het oude gedeelte woonden hun intrek en verhuisden naar een ander klooster. De medebroeders Jozef (Pascal) Teuns (81), gardiaan, en de oudste van onze provincie, Laurent (Nivard) Bruggeman (89) vertrokken naar Herentals. Aster (Theodoriek) Missiaen (80) en Walter (Benedict) Houtman (80) verhuisden naar Brugge. In hun nieuwe verblijfplaats zijn ze al grotendeels ingeburgerd en vinden er werk. Want niettegenstaande hun hoge leeftijd waren zij in Aalst nog heel bedrijvig en zij willen dat zo nog wel een tijdje volhouden.
Alleen Paul (Gratiaan) Segers (71), nu toch al nagenoeg 20 jaar pastoor in de St. Antoniusparochie, blijft in Aalst bij zijn mensen wonen.

Uit Handdruk jg. 39 - nr. 3-4  oktober-november-december, blz. 4

Kapucijnen in Aalst: overgenomen uit Handdruk jg. 39 nr. 3-4 van oktober-november-december op pagina 5 tot en met 10

 
5. Aalst  100 jaar: begin van de bouw van het klooster 1908 in  AALST

 

Ter gelegenheid van het jubeljaar vond de Sint-Antoniusparochie van Aalst het passend om dit feestelijk in te zetten en de Kapucijnen vanwege de bevolking en de parochie hun dankbaarheid te betuigen. Daarom waren er speciale gasten uitgenodigd om dit feestelijk te vieren. Ook dit jaar viert de parochie haar 40 jarig bestaan en dit alles zal niet ongemerkt voorbij gaan. Voor de feestviering van 100 jaar werden uitgenodigd: Mgr. Luc Van Looy, Z.E.P. Provinciaal, Z.E. Heer Deken van Aalst Johan De Baere en natuurlijk de medebroeders van de eigen communiteit. Waren ook uitgenodigd de medebroeders die in het nieuwe klooster hebben gewoond: E.P. Eventius en Br. Roger die zich echter liet verontschuldigen. Als gelegenheidspredikant was gevraagd E.P. Callixt, die een speciale band heeft met onze gemeenschap daar hij maandelijks hier in de buurt het geestelijk leven van vele zusters blijft inspireren. Ondertussen had het parochiekoor veel geoefend om met zang de plechtige eucha­ristieviering op te luisteren. Het was voor vele pa­rochianen en kerkbezoekers een ontroerend zicht zo eens zoveel paters aan de tafel van de Heer te zien in deze plechtige en waardige concelebratie. Onze predikant schetste in zijn mooie homilie, met zijn warme stem, de grote variëteit van apostolaat die in de loop van zoveel jaren de pa­ters en de broeders hadden gepresteerd aan verkondiging en evangelisatie. Hij vernoemde zowel de predikatie als het foor- en zigeunerwerk, het werk van de missies, en de degelijkheid van het sint Laurentiuscollege. Hij vernoemde ook het werk van de broeders als de inzet van de missionarissen die vanuit Aalst zijn vertrokken en door het Serafijns Werk van de Missies werden ondersteund. Het was geen droge aaneenrijging

van historische feiten en data, maar een hartver­warmend woordje dat vele herinneringen opriep van werken en mensen. Ook Mgr. Van Looy sprak op een zeer originele wijze over het charisma van br. Franciscus en de franciscaanse spiritualiteit van de Kapucijnen.

 Toen Monseigneur zijn lofrede gedaan had was het de beurt aan pater Paul, de pastoor, om in naam van alle parochianen en de vele mensen verbonden met de parochie de dank te betuigen aan de kapucijnergemeenschap. Hij nodigde Monseigneur uit om er bij te gaan zitten want "het ging wat langer duren". Eén voor één werden al de medebroeders in de bloemen gezet en met een persoonlijk dankwoord vernoemd omwille van hun eigen werkzaamheden en persoonlijk­heid. Na elke dankbetuiging kregen ze dan ook uit de handen van de misdienaars elk afzonderlijk een grote prachtige foto van de Aalsterse kerk. En toen sprak p. Paul elk afzonderlijk toe: 

MONSEIGNEUR: Na al die mooie liederen, fijne homilie en zinvolle gebeden moet ik hem danken, met heel mijn hart en met veel plezier. Ik begin natuurlijk met onze bisschop Mgr. van Looy, die zo goed was naar hierte willen komen. We kennen Mgr. allemaal als een goede gemoedelijke rondrei­zende herder, die zoals Jezus al weldoende rond­trok en de blijde boodschap vertelde. Onze op­rechte wens is dat hij hier in ons bisdom nog lang mag blijven en nooit moet verhuizen. Een klein geschenkje als souvenir want je woordje en je 'hier zijn' doet ons deugd en veel plezier.

 

PATER PROVINCIAAL: Ook dank ik onze Pater Provinciaal of br. Adri, een stille wijze mens, die regelmatig met zijn diepzinnige omzendbrieven en hartverwarmende bezoekjes ons weet te inspi­reren, zijn fijne humor en glimlach weten we ook te appreciëren. Uw woorden blijven ons inspire­ren om goede franciscanen en kapucijnen te blijven. Dank in naam van de parochie en ook jij verdient een souvenir.

 
EERW. HEER
DEKEN: Ergens verscholen zit Z.E. Heer deken, bescheiden en vriendelijk. Hij weet het werk van collega's te waarderen. Bruggenbouwer altijd present; bij mensen en collega's overal thuis.

 Pater PASCAL, pater gardiaan: Gekend hier in de kerk en in de buurt, bij zusters en benedictijnen. Hij zorgt hier ook voor het huishouden en zo blijven wij gezond en goed en rond van lijn. Als proost van de FlO en First Friday club bezielt hij deze mensen, steeds paraat om in te springen. Ook jij verdient vandaag een pluim en vanwege de parochie een warme dank. 

Pater Paul pastoor

Uit Handdruk, jg 38, nr.1-2

 

 10.  SCHAARBEEK

Als kleine groep Vlaamse Kapucijnen leven wij aan de periferie van de multiculturele hoofdstad Brussel. 
We bewonen een huurhuis in de Dr. Elie Lambottestraat 72  1030 Schaarbeek.
We proberen door eigen arbeid onze kost te verdienen en we leven samen met minstens één minderbedeelde.
 

We hebben twee vaste gebedsmomenten per dag, Als gemeenschap hebben we wekelijkse eucharistieviering en een gemeenschapsmoment.; eenmaal per maand is er een Franciskaanse lekengroep en een uitstap.

Er is een dag en weekorde met aandacht voor samenwerking met de armen in de stad en de  solidariteit met de buurt.
We staan open voor een vorm van internationale solidariteit.

 

 

11. IZEGEM

Fraterniteit: Izegem

Roeselaarsestraat 291
8870 Izegem
Tel.: 051/30.04.80

1. Beknopte geschiedenis: Huis, Kerk, Park …………:

Het klooster werd opgericht in 1900 naar plans, getekend door onze medebroeders Stanilas uit Brugge en Simon uit Ingelmunster.

Op 28 september 1901 werd de nieuwe kloostergemeenschap samengesteld en kwamen de eerste 9 paters en een 30-tal fratertheologen uit Brugge naar Izegem.

De Derde Orde, die sinds lang bestond op de St. Tilloparochie, kwam in december 1901 naar de Paterskerk. In maart 1902 volgde de vrouwelijke tak. Uit deze Derde Orde ontsproten tal van sociaal-godsdienstige werken.

Augustus 1914: ons land werd overrompeld door de Duitsers. Spontaan bood de Provinciaal al de kloosters aan als hospitaal voor het Belgisch leger.

Drie jonge paters en vier broeders van het klooster te Izegem vervoegden als brancardier het leger.

Op 12 september 1914 vielen de Duitsers het klooster binnen. De paters Hugo en Benedict werden als gijzelaars meegenomen, maar werden ’s anderendaags bevrijd door een Belgisch vrijwilligerskorps. Er volgde een lange sliert van ellende en onzekerheid voor de kloostergemeenschap.

Vanaf 12 november 1914, tot aan het einde van de bezetting, was het ganse gebouw een Duits lazaret. De paters waren ondertussen zieke en ondergedoken pastoors gaan vervangen in de omtrek.

Van 19 augustus 1917 tot 20 januari 1919 deed de kloosterkerk dienst als parochiekerk, ter vervanging van de H.Hartkerk, die door de bezetter was opgeëist.

Tijdens het laatste offensief, op 14 oktober 1918, werd heel wat schade aangericht aan de kloostergebouwen door een 20-tal obussen die op en rond het klooster terecht kwamen. Daarbovenop sloegen 3 vliegtuigbommen in op het klooster op 1 november.

Van 12 november 1918 tot 20 maart 1919 kreeg het klooster dan nog een 200-tal Franse soldaten te herbergen.

Maar het leven gaat voort. De beschadigde gebouwen werden hersteld en de zielzorg ging voort: de nasleep van de oorlog, zoals verzwakte godsdienstzin, verval van zeden en moraal werd krachtig aangepakt. Het apostolaat werd op een nieuwe leest geschoeid met " Geestelijke Voordrachten ".

Tijdens de 2° Wereldoorlog werd de noodlijdende bevolking geholpen door allerlei liefdadige werken die in het leven werden geroepen, en de kloosterkerk met haar diensten zorgde voor geestelijke steun.

Op dat ogenblik verbleven er 60 Kapucijnen te Izegem.

Op 8 september 1944 was Izegem bevrijd.

Tengevolge van de V-bommen, waardoor Antwerpen geteisterd werd, werden 40 Antwerpse zee-scouts in het klooster opgenomen van 11 november 1944 tot 2 april 1945.

In augustus 1945 werd een week lang gefeest: de vrouwen-afdeling van de Derde Orde bestond 100 jaar, de mannen-afdeling 50 jaar en de priester-afdeling 25 jaar!

In oktober 1945 kwamen 13 Poolse fraters-kapucijnen te Izegem hun priesterstudies voltooien, nadat ze daar 5 jaar lang in het folterkamp van Dachau hadden doorgebracht ( en 18 van hun medebroeders hadden weten omkomen).

Ze werden na hun studies hier priester gewijd en keerden naar hun land terug.

In 1950 werd luisterrijk de 50° verjaring gevierd van onze vestiging te Izegem.

DE DANKKAPEL

Pater Theodoor had op 8 maart 1944, in naam van de Izegemse bevolking, beloofd dat Izegem na de oorlog en na een gelukkige bevrijding een kapel zou bouwen als dank en hulde aan de heilige Maagd der Armen.

Met een minimum aan mensenlevens en met zeer weinig stoffelijke schade werd Izegem op 8 september 1944 door de Canadezen bevrijd.

De Dankkapel werd gebouwd op een stuk grond van de kloostertuin, maar het grootste stuk van de grond diende aangekocht van Juffr. Irene De Brabandere uit Aarsele. Ze wilde alleen verkopen als de betaling zou geschieden in gouden ponden!

De Dankkapel werd ingehuldigd op 8 september 1946, en wordt tot op vandaag nog dagelijks door heel wat mensen bezocht, om er te bidden voor hun intenties.

1950 TOT HEDEN

De predikanten begonnen weer volop aan de prediking van "Missies", talrijke H. Hartbonden, biddagen, retraites en triduüms.

In 1959 kregen in onze kerk 29 missionarissen hun zending en missiekruis.

In 1951 werd de Sint-Kristoffelgilde opgericht voor de autowijding. De opbrengst van de lidgelden diende tot onderhoud en verfraaiing van de kloosterkerk, iets wat tot op heden nog gebeurt.

In 1961 werd de kerk herschilderd en herschikt naar de normen van de nieuwe liturgie. Er werd gestreefd naar soberheid. Het hoogkoor kreeg een imposant kruis van 7,80 m. et een Christus van 3 meter.

In 1965 vulden ongeveer 1000 gelovigen –met betaalde toegangskaart- de middernachtmis op Kerstmis. De schola "Cantemus Domino" verzorgde het proprium en het gregoriaans; in de daaropvolgende gelezen missen speelde het blokfluitenensemble van de Zonnemeisjes.

Vanaf 1967 fungeerde het Izegems klooster niet meer als seminarie voor theologie. de theologiestudenten gingen op 5 september 1967 over naar het "Centrum voor Kerkelijke Studies" te Leuven. Zo ging ons klooster over van "studiehuis" naar "gewoon klooster". Het maximaal aantal kapucijnen dat ooit gelijktijdig te Izegem verbleef was 97.

Na die tijd is er heel wat gebeurd in en met het klooster, wat wij hier trachten te resumeren.

In 1978 werd het ganse kloosterdomein te koop gesteld en verhuisde de kapucijnenfraterniteit naar een burgerhuis aan de andere kant van de kerk. Van daaruit bleven ze de kerk bedienen en hun andere activiteiten uitoefenen.

Toen er uiteindelijk geen kopers te vinden waren nam het toenmalige bestuur van de Vlaamse Kapucijnen het initiatief om aan het ganse domein een nieuwe bestemming te geven.

Vanaf 1983 begonnen de verschillende nieuwe projecten.

In de leegstaande gebouwen ontstond door verbouwingen en aanpassingen "De Harp", als Franciscaans Centrum voor Levensverdieping (nu gesloten).’t Pandje zag het levenslicht in 1984 en is thans uitgegroeid tot een zelfstandige RVT met 70 bedden voor demente en zorgbehoevende mensen.

Eveneens in 1984 werd het grootste gedeelte van de kloostertuin opengepeuterd voor het publiek, in ruil voor het groenonderhoud door de stad Izegem.

In 1985 keerde de kapucijnenfraterniteit terug naar de heraangepaste voorvleugel van het klooster.

In 1986 ontstond "De Vierstee", een initiatief voor Beschut Wonen, en gehuisvest in een deel van het vroegere seminarie. ‘De Lochting’ biedt sinds 1993 een arbeidszorgcentrum in de biologische landbouw aan mensen die niet terecht kunnen in het gewone arbeidscircuit of in beschutte werkplaatsen.

Verder kwamen stilaan kleinere initiatieven bij zoals ‘De Tau’, als religieuze boekhandel (nu gesloten).