Publicaties

 Startpagina Boeken Artikels Gedichten Handdruk

Boeken

Artikels

Gedichten

Handdruk

Het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries” aan de KU Leuven

Enkele recente resultaten van het digitaliseerproject van het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries”

Le Capucin Gourmand

Capucienenbaard

Spotprenten van kapucijner bedelbroeders

Uit vervlogen tijden

 1.  Brief aan broeder Franciscus

 

 
 

 

2. Franciscus en de wereld

 

 
 

 

3. WAARDERING VOOR ROMANS GUIDO TIRELIREN

 

 
 

Het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries” aan de KU Leuven

 Uit Vox Minorum,  Jaargang 66, nr. 1   januari - maart 2012

Frans Titelmans

Niet lang nadat de Vlaamse kapucijnenprovincie besloten had om een groot deel van haar provinciale bibliotheek en archief (ACB: “Archivum Capucinorum Belgii”) over te dragen aan de KU Leuven en het Kadoc, om er bewaard en bestudeerd te worden, rijpte door toedoen van Dr. Ernest Persoons, voormalig rijksarchivaris, en Mathijs Lamberigts, professor aan de Faculteit van Theologie en Religiewetenschappen (KU Leuven), de idee om een studie- en documentatiecentrum op te richten, vertrekkend van dit aangeleverde materiaal. Op deze manier zou het onderzoek hierover extra gestimuleerd kunnen worden, niet alleen binnen de KU Leuven maar ook internationaal. Mede dankzij de steun van de Vlaamse kapucijnenprovincie zag het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries” in 2011 het levenslicht. De bedoeling van dit Centrum is om het wetenschappelijk onderzoek naar de boeiende geschiedenis van de kapucijnerorde hier bij ons in de Lage Landen, - haar spiritualiteit, gewoontes, missies alsook haar leden, zoals o.m. Carolus van Arenberg, Frans Titelmans (van Hasselt), Albertus van ’s-Hertogenbosch, Joannes Evangelista van ’s-Hertogenbosch, Auxilius van Moorslede, en Fulgentius van Maaseik, beter bekend te maken, te ondersteunen en te stimuleren.

 1.      Het ontsluiten van het onderzoeksmateriaal

a)      De publicaties

Om al het aangeleverde materiaal zo goed mogelijk te ontsluiten en beschikbaar te stellen, werd allereerst werk gemaakt van het catalogeren van de overgekomen collectie. De oude drukken kwamen hierbij het eerst aan de beurt. Deze vaak zeldzame exemplaren werden zo volledig en gedetailleerd mogelijk beschreven. Daarna volgden de moderne publicaties. Ook dit werk is zo goed als voltooid, mede dankzij de enthousiaste hulp van een groep vrijwilligers (Hilda Jaubin, Emmy Stegen, Lina Mathys, Isabelle Corthouts, pater Daniël De Rycke, en Francine Vanderveken). Een speciale vermelding verdienen de publicaties uit de missies (Pakistan en Kongo). Zij vormen een uitzonderlijke collectie op zich, en het is dankzij de hulp- en taalvaardigheid van pater Daniel Suply dat we de werkjes die in Urdu-taal (Pakistan) waren opgesteld, toch een (Engelse) beschrijving konden meegeven in onze catalogus. De tijdschriften vormen momenteel de hoofdmoot van het laatste nog te verwerken deel van de collectie.

Dit betekent dat nu reeds een enorme schat aan informatie van en over de kapucijnen in de Lage Landen kan geraadpleegd worden in de Maurits Sabbebibliotheek van KU Leuven, terwijl men op het internet relevante bibliografische referenties kan opzoeken via de universiteitscatalogus (hetzij via de Libisnet-catalogus, hetzij via de nieuwere, overkoepelende interface Limo). 

 

b)      Het archief

Zoals reeds vermeld werd ook het grootste deel van het reeds goed georganiseerde archief ter bewaring gegeven (ACB: Archivum Capucinorum Belgii). Hierdoor kan een grote hoeveelheid belangrijk onderzoeksmateriaal gemakkelijker geraadpleegd worden. Nodeloos te vermelden dat dit archief een primaire bron van informatie vormt voor het onderzoek naar de kapucijnen in de Lage Landen. Dit werd in het verleden trouwens overvloedig aangetoond door het pionierswerk van pater Hildebrand (van Hooglede), oud-archivaris van de Vlaamse kapucijnen. De bewaarde, uitvoerige inventaris zal binnen afzienbare tijd op de website van het Centrum geplaatst worden. In principe mogen alle documenten vrij geraadpleegd worden. Sommige documenten van na 1914 mogen echter wegens de privacy-gevoeligheid enkel met toelating van de provinciaal geconsulteerd worden. Deze gevoelige documenten worden natuurlijk ook niet gedigitaliseerd (bv. de Acta van de provinciale kapittels van na 1914).

2.      2.  Een ambitieus project : digitalisering van relevant onderzoeksmateriaal

Om al dit materiaal zo vlot mogelijk beschikbaar te stellen aan geïnteresseerden over de gehele wereld, werd tevens besloten om de belangrijkste en relevantste stukken uit de collectie (publicaties zowel als archiefmateriaal) te digitaliseren.

De recente aankoop door de Faculteit van een degelijke boekscanner (Zeutschel S 12000), die kwalitatief hoogstaande kleurenscans aflevert, bood een ideale gelegenheid om deze - weliswaar arbeidsintensieve - stap te zetten. Bovendien zorgt een kwaliteitsvolle digitale versie van een oud, fragiel document voor een betere bewaring van het origineel, aangezien dit laatste nog nauwelijks hoeft bovengehaald en gemanipuleerd te worden. Vooral bij het unieke archiefmateriaal levert digitalisering enorme voordelen op: de vaak handgeschreven teksten kunnen immers naar believen worden vergroot of bewerkt om een zo leesbaar mogelijk eindbeeld te verkrijgen. Daarnaast bevinden er zich in de collectie ook prachtige afbeeldingen.

Denken we maar aan de oude atlassen zoals de Chorographica descriptio provinciarum, et conventuum fratrum minorum S. Francisci Capucinorum (1649 en 1721), die kaarten van de verschillende kapucijnenprovincies uit die tijd bevatten; de befaamde Effigies (et elogia ministrorum generalium et aliorum), een verzameling portretten van verscheidene ministri generales, en andere bekende kapucijnen (ook uit de Lage Landen); de twee interessante, handgeschreven boekjes van Michael van Wersbeek, Corte beschrijvinge van verscheijde / vele steden, met hun reeks van minutieus getekende en ingekleurde stedelijke skylines, die gedomineerd worden door talloze spitse torens van religieuze gebouwen; dan zijn er natuurlijk ook nog de prachtige gravures uit de oude drukken. Dankzij digitalisering (en hier is een kleurenscan van onschatbare waarde) kan iedere geïnteresseerde bezoeker dit onderzoeksmateriaal tot in de kleinste details bestuderen. Vermeldenswaard is ook de uitgebreide verzameling handgeschreven werken van Carolus van Arenberg, waaronder zijn driedelig werk Clypeus seraphicum, en zijn De barba; De nuditate pedum et sandaliorum usu. Voorts biedt een handgeschreven keukenboekje uit het archief (ACB, III.7062) niet alleen de mogelijkheid te weten te komen wat de kapucijnen toentertijd aten, maar ook hoe zij deze maaltijden bereidden!

a)      a)  Een proefproject: oude kapucijnentheses in de Lage Landen 

In eerste instantie werd voor de digitalisering een proefproject opgestart rond de unieke collectie van oude kapucijnentheses uit de Lage Landen. De theses overgekomen van de Vlaamse provincie werden zorgvuldig ingescand door Tim Denecker; de collectie kapucijnentheses die zich in de bibliotheek bevindt van het kapucijnenklooster van ‘s-Hertogenbosch werd ter plaatse gefotografeerd door Geert Van Reyn (het verschil in kwaliteit is hierbij goed merkbaar, zodat we alsnog hopen toelating te krijgen om deze theses in te scannen met onze professionele boekscanner). Tot nu toe hebben we 59 oude kapucijnentheses ontdekt, afkomstig uit de tweede helft van de 18de eeuw. Van deze 59 theses zijn er drie handgeschreven filosofische theses, en 56 gedrukte theologische theses. Van één exemplaar kennen we enkel de bibliografische gegevens. 48 theses ontstonden in de Vlaamse provincie, de resterende 11 in de Custodie van de Heilige Drievuldigheid. Om al dit digitaal materiaal veilig en duurzaam te bewaren in een toegankelijk systeem, werd beroep gedaan op Lias, het “Leuvens integraal archiveringssysteem” (www.libis.be/lias.php).

Via Digitool kan men zoeken naar specifieke digitale collecties van o.m. de Maurits Sabbebibliotheek, waar de collectie oude kapucijnentheses is ondergebracht onder het item “OFMCapths”. Al deze  theses kregen, zoals alle oude drukken, een zeer gedetailleerde beschrijving mee in de catalogus van de bibliotheek. Bovendien werd binnen deze beschrijving steeds een link gecreëerd naar de digitale versie die bewaard wordt in Lias. Op deze manier is men vanuit de beschrijving in de catalogus slechts een muisklik verwijderd van een volledige weergave van de kapucijnentheses. Tenslotte werd een repertorium van deze 59 theses opgesteld. Deze kan men vrij raadplegen op onze website (zie verder voor het adres).

b)      b) OCR-toepassing : opzoekbaar maken van digitale documenten

De bedoeling is om op deze manier in een eerste fase ca 750 geselecteerde werken, die op één of andere manier belangrijk zijn voor de studie van de kapucijnen in de Lage Landen, digitaal beschikbaar te stellen op het internet. Een groot voordeel van het digitaal aanbieden van publicaties betreft de opzoekbaarheid ervan. Dankzij OCR (“optical character recognition”)-toepassing verandert een statische afbeelding van een ingescand document in een dynamisch, opzoekbaar en bewerkbaar stuk tekst. Waar mogelijk zal van deze software gebruik worden gemaakt, want niet alle documenten lenen zich daartoe.

Voorbeeld van een Latijnse stukje tekst
uit een oude druk

 Alhoewel de accuraatheid van de OCR-software met rasse schreden vooruitgaat, is men er tot nu toe nog niet in geslaagd een bevredigend resultaat te bekomen voor Latijnse teksten uit oude drukken: zowel het Latijn als het oude lettertype bemoeilijken namelijk een geautomatiseerde karakterherkenning: zo is bijvoorbeeld de letter “f” nauwelijks te onderscheiden van de letter “s” (zie afb.). Daarbij komt dan nog dat verschillende oude drukken de tand des tijds niet helemaal ongeschonden doorstaan hebben, wat de leesbaarheid van de overgeleverde tekst zeker niet ten goede komt.

Minder problematisch zijn dan weer de moderne publicaties van pater Hildebrand (van Hooglede). Zijn 10-delig monumentaal werk De kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik (Antwerpen, 1945-1956), alsook zijn talloze artikels die door pater Stan Teuns in het jaar 2000 handig werden samengebundeld in vier volumes onder de titel Miscellanea in de reeks Instrumenta Capuccina, zullen dus spoedig digitaal beschikbaar (én opzoekbaar) worden gemaakt. Zij vormen als het ware een gedegen uitvalsbasis voor diegenen die de kapucijnerorde in de Lage Landen beter willen leren kennen en bestuderen. Vele oude, handgeschreven archiefstukken, zoals de Acta capitulorum Provinciae Flandriae, De origine conventum Provinciae Flandriae van Damianus van Bourbourg (ms., Archief ACB, III.7031) staan vooraan in de rij om gedigitaliseerd te worden. Quasi hetzelfde team van vrijwilligers dat helpt bij het catalogeren van publicaties, staat mee in voor het arbeidsintensieve inscannen van deze vaak unieke stukken.

3.      3. Website van het onderzoekscentrum: www.capuchins-in-the-low-countries.org

Elk modern wetenschappelijk centrum heeft tegenwoordig een eigen stek op het internet. Via www.capuchins-in-the-low-countries.org kom je terecht bij de hoofdpagina van onze site binnen KU Leuven, en van hieruit krijg je via de rubrieken een goed overzicht van wat we te bieden hebben. De website is bewust in het Engels opgesteld omwille van het internationale karakter van het studiecentrum.

Deel van de homepage "Capuchins in the Low Countries"

a)      a) Een nieuw kapucijnenlexicon voor de Lage Landen (1585-1845) en België (1845- )

Enkele jaren geleden werd vanuit de kapucijnerorde de idee geopperd om een nieuw lexicon op te stellen. Het vorige lexicon, Lexicon capuccinum: promptuarium historico-bibliographicum ordinis fratrum minorum capuccinorum 1525-1950, dateert reeds van 1951, zodat een actualisering zich opdrong. Dit gigantische werk vordert vrij traag, en het centrum “Capuchins in the Low Countries” heeft de taak op zich genomen om een lexicon samen te stellen voor de kapucijnen in de Lage Landen (1585-1845). Het Centrum kan hierbij gelukkig steunen op het vele voorbereidende werk van dr. Ernest Persoons, die zich met hart en ziel inzet voor het wetenschappelijk centrum in het algemeen. Ook de reeds gedane arbeid van pater Stan Teuns maakt dit werk een stuk lichter. Tegelijkertijd werkt pater Guido Tireliren aan een Lexicon voor België (1845- ). Beide lexica zal men in de nabije toekomst kunnen raadplegen op onze website.

b)     b)  Platform voor wetenschappelijke studies

Verder biedt het Centrum ook de mogelijkheid om artikels over de kapucijnen in de Lage Landen op haar site te publiceren, zodat deze onderzoeksresultaten beter en vlugger bekend raken en gemakkelijk consulteerbaar zijn. We doen dan ook een oproep aan alle geïnteresseerden om hun wetenschappelijke artikels over de kapucijnen in de Lage Landen door te sturen. In deze rubriek worden ook artikels aanvaard die geschreven zijn in een andere taal dan het Engels. 

c)      c) Kenniscentrum over de grenzen heen

Het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries” wil ook samenwerken met reeds bestaande internationale onderzoekscentra van de kapucijnen. Ze tracht belangrijk nieuws binnen het onderzoeksveld te melden, zodat de onderzoeker, maar ook de geïnteresseerde bezoeker, op de hoogte blijft van recente ontwikkelingen. Tevens zorgt de oplijsting van interessante links op onze website ervoor dat een poort wordt geopend naar de internationale studie van de kapucijnen in de gehele wereld.

4. Enkele informatie- en contactgegevens van het centrum 

Officiële naam: Study and documentation centre “Capuchins in the Low Countries”

Adres : Maurits Sabbebibliotheek

            Faculteit van Theologie en

Religiewetenschappen, KU Leuven

            Charles de Bériotstraat 26

            3000 Leuven

            België

 

4.      Website : www.capuchins-in-the-low-countries.org

Tel. +32 (0)16/32.38.13

Openingstijden :         dinsdag-donderdag : 9u-16u

                                   Vrijdag: na afspraak

Contactpersoon: Geert Van Reyn (e-mail: Geert.VanReyn@theo.kuleuven.be)

 Geert Van Reyn

 

 

Enkele recente resultaten van het digitaliseerproject van het studie- en documentatiecentrum “Capuchins in the Low Countries”

Uit Vox Minorum, jg. 64, nr. 2,  april - juni 2013

 

op 16 april 2013 werden door het studiecentrum “Capuchins in the Low Countries” 40 werken van de kapucijnen digitaal beschikbaar gesteld op het internet.  Onder de 24 archiefstukken vind je enkele delen van de acta capitulorum terug,  de oudste, handgeschreven ceremoniale van de Belgische provincie, de mooie Effigies (afbeeldingen) van  belangrijke kapucijnen, en de twee boekjes met charmante skylines van verschillende steden vervaardigd door Michiel van Wersbeek.

Onder de 16 gedigitaliseerde oude drukken bevinden zich onder meer enkele werken van Albertus van ‘s-Hertogenbosch, twee prachtige atlassen van de kapucijnerprovincies (uit 1649 en 1721), de provocerende biografie van Auxilius van Moorslede (3 vol.), alsook het mooi geïllustreerd Bly-eindigh treur-spel : De goddelijcke voorsienigheyd beproeft, in Bertulpho en Ansbertâ, de deught der minzaemheyd, van Seraphinus van Brugge (1720).

Al deze werken zijn nu vrij te bekijken via onze website www.capuchins-in-the-low-countries.org, onder de rubriek “Full texts”. Klikken op het icoontje van Lias,  leidt je naar de digitale versie. In de naamgeving van de afzonderlijke pagina’s wordt steeds aangegeven wat er op elke pagina te vinden is.

U kunt de collectie “OFMCap” ook direct raadplegen op : http://aleph08.libis.kuleuven.be:8881/R

Hier staan ook de verschillende deelcollecties vermeld : naast de eerder gedigitaliseerde  oude thesissen van de kapucijnen (58 stuks), vind je hier nu ook archiefstukken (24) en

boeken (16) terug.

Hier kan je ook opteren om een PDF van het hele werk te downloaden. Op sommige van deze PDF’s werd OCR (Optical character recognition; vertaald : optische tekenherkenning) toegepast, wat de tekst op de afbeelding opzoekbaar maakt. Jammer genoeg is men tot op heden nog niet ver gevorderd met de OCR-toepassing op handgeschreven teksten en oude drukken, waar het lettertype vaak voor problemen zorgt (bv. de “s” die sterk lijkt op de “f”). Er werd gekozen om OCR toch op deze moeilijkere documenten toe te passen, om andere, praktische redenen: de tekst komt hierdoor duidelijker naar voren in de PDF, en is dus gemakkelijker leesbaar, terwijl de grootte van het  PDF-bestand sterk wordt gereduceerd. Sommige werken, zoals Ordinationes et decisiones capitulorum generalium ordinis ff. min. ss. Francisci capuccinorum profiteren het meest van de OCR-toepassing, omdat het moderne lettertype van deze publicatie wel goede resultaten oplevert.  

Ook het 10-delig monumentale werk van Hildebrand van Hooglede, De kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik, alsook zijn vele artikels die samengebundeld werden in de 4-delig verzameling Miscellanea,  zijn op het internet beschikbaar gesteld in de vorm van opzoekbare PDF’s. Hierdoor kan iedereen nu vrij beschikken over dit onmisbare basiswerk over de kapucijnen in de Nederlanden, meer nog, men kan nu ook zoekopdrachten op de teksten uitvoeren, zodat men onmiddellijk te weten komt waar ergens in de tekst een bepaalde term of naam voorkomt. 

Hildebrands Kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik vind je onderaan de lijst van “Full texts”, of rechtstreeks :

http://theo.kuleuven.be/en/research/research_units/ru_church/ru_church_capuchins/full-texts-1/hildebrand/nederlanden/kapucijnen-in-de-nederlanden

Een directe link naar Hildebrands verzameling van artikels:

http://theo.kuleuven.be/en/research/research_units/ru_church/ru_church_capuchins/full-texts-1/hildebrand/miscellanea

Tenslotte werd ook de index van het kapucijnenarchief van de Belgische provincie, ACB, sectie I, op het internet gezet. Bezoekers weten nu precies wat zich in deze afdeling van het archief bevindt. Zij kunnen deze stukken ook raadplegen in het studiecentrum, terwijl sommige hieruit ook gedigitaliseerd zullen worden.  

Graag willen we immers dit digitaliseringswerk verderzetten en we doen dan ook een warme oproep tot vrijwilligers die bereid zijn ons één dag in de week te helpen met het inscannen van deze werken. Op deze manier kan onze collectie van digitale werken gestaag uitbreiden en zal men over de hele wereld steeds meer werken over de kapucijnen in de Nederlanden op een eenvoudige manier kunnen raadplegen. Hebt u interesse en tijd, en geraakt u gemakkelijk tot in Leuven? Mail dan naar Geert.VanReyn@theo.kuleuven.be

Geert Van Reyn

 

Onder de 16 gedigitaliseerde oude drukken bevinden zich onder meer enkele werken van Albertus van ‘s-Hertogenbosch, twee prachtige atlassen van de kapucijnerprovincies (uit 1649 en 1721), de provocerende biografie van Auxilius van Moorslede (3 vol.), alsook het mooi geïllustreerd Bly-eindigh treur-spel : De goddelijcke voorsienigheyd beproeft, in Bertulpho en Ansbertâ, de deught der minzaemheyd, van Seraphinus van Brugge (1720).

Al deze werken zijn nu vrij te bekijken via onze website www.capuchins-in-the-low-countries.org, onder de rubriek “Full texts”. Klikken op het icoontje van Lias,  leidt je naar de digitale versie. In de naamgeving van de afzonderlijke pagina’s wordt steeds aangegeven wat er op elke pagina te vinden is.

U kunt de collectie “OFMCap” ook direct raadplegen op : http://aleph08.libis.kuleuven.be:8881/R

Hier staan ook de verschillende deelcollecties vermeld : naast de eerder gedigitaliseerde  oude thesissen van de kapucijnen (58 stuks), vind je hier nu ook archiefstukken (24) en boeken (16) terug.

 

 

 

 

 

Hier kan je ook opteren om een PDF van het hele werk te downloaden. Op sommige van deze PDF’s werd OCR (Optical character recognition; vertaald : optische tekenherkenning) toegepast, wat de tekst op de afbeelding opzoekbaar maakt. Jammer genoeg is men tot op heden nog niet ver gevorderd met de OCR-toepassing op handgeschreven teksten en oude drukken, waar het lettertype vaak voor problemen zorgt (bv. de “s” die sterk lijkt op de “f”). Er werd gekozen om OCR toch op deze moeilijkere documenten toe te passen, om andere, praktische redenen: de tekst komt hierdoor duidelijker naar voren in de PDF, en is dus gemakkelijker leesbaar, terwijl de grootte van het  PDF-bestand sterk wordt gereduceerd. Sommige werken, zoals Ordinationes et decisiones capitulorum generalium ordinis ff. min. ss. Francisci capuccinorum profiteren het meest van de OCR-toepassing, omdat het moderne lettertype van deze publicatie wel goede resultaten oplevert.

Ook het 10-delig monumentale werk van Hildebrand van Hooglede, De kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik, alsook zijn vele artikels die samengebundeld werden in de 4-delig verzameling Miscellanea,  zijn op het internet beschikbaar gesteld in de vorm van opzoekbare PDF’s. Hierdoor kan iedereen nu vrij beschikken over dit onmisbare basiswerk over de kapucijnen in de Nederlanden, meer nog, men kan nu ook zoekopdrachten op de teksten uitvoeren, zodat men onmiddellijk te weten komt waar ergens in de tekst een bepaalde term of naam voorkomt. 

Hildebrands Kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik vind je onderaan de lijst van “Full texts”, of rechtstreeks :

http://theo.kuleuven.be/en/research/research_units/ru_church/ru_church_capuchins/full-texts-1/hildebrand/nederlanden/kapucijnen-in-de-nederlanden

Een directe link naar Hildebrands verzameling van artikels:

http://theo.kuleuven.be/en/research/research_units/ru_church/ru_church_capuchins/full-texts-1/hildebrand/miscellanea

Tenslotte werd ook de index van het kapucijnenarchief van de Belgische provincie, ACB, sectie I, op het internet gezet. Bezoekers weten nu precies wat zich in deze afdeling van het archief bevindt. Zij kunnen deze stukken ook raadplegen in het studiecentrum, terwijl sommige hieruit ook gedigitaliseerd zullen worden.  

Graag willen we immers dit digitaliseringswerk verderzetten en we doen dan ook een warme oproep tot vrijwilligers die bereid zijn ons één dag in de week te helpen met het inscannen van deze werken. Op deze manier kan onze collectie van digitale werken gestaag uitbreiden en zal men over de hele wereld steeds meer werken over de kapucijnen in de Nederlanden op een eenvoudige manier kunnen raadplegen. Hebt u interesse en tijd, en geraakt u gemakkelijk tot in Leuven? Mail dan naar Geert.VanReyn@theo.kuleuven.be

Geert Van Reyn

 
LE CAPUCIN GOURMAND
Overgenomen uit VOX jg. 67, nr. 2   april-juni 2014
 

Op 1 februari handelde onze Culinaire Kalender over “De oude kloosterkeuken”. De anonieme auteur zegt dat deze vroege recepten niet erg nauwkeurig waren en “Nog moeilijker wordt het als de kloosterkok Latijnse woorden in zijn recepten verwerkte. Dan ontstond het spreekwoordelijke “potjeslatijn” waar voor ons vaak niets meer van te bakken valt”.

Opmerkelijk is dat hier het woord “potjeslatijn” gebruikt wordt en niet het synoniem “keukenlatijn”, want het woord “potjeslatijn” verwijst eerder naar de apothekers dan naar de keuken. Verder vinden we nog : “Het imago dat de monnik opbouwde van een rondbuikige, blozende “smulpaap” bestaat nog steeds”.  Het woord “smulpaap” bestaat nog, maar enige uitleg over de oorsprong van dit woord, zou toch goed geweest zijn. We moeten niet uitleggen wat “smullen” betekent, maar met het woord “paap” werd eerst en vooral de paus bedoeld en afgeleid daarvan de seculiere geestelijkheid ;  later kan de “smulpaap” ook een regulier zijn. Op internet vindt men over Smulpaap uit het Etymologisch woordenboek van het Nederlands van M. Philipps e.a. :

Smulpaap zn.  ‘iemand  die van lekker eten houdt’. Vnnl. in Se meugen ‘t soo wel, als … de beste smulpapen (1660). […] Samenstelling van smullen en paap ‘rooms-katholieke geestelijke’ […] Paap werd sinds de Hervormings veelal als schimpwoord opgevat”.

 

               Foto van uithangbord van frituur De smulpaep  op de Varkensmarkt te Antwerpen
               “Het is weliswaar geen Kapucijn, maar misschien toch een smulpaep”.

 In serie III (literaire bronnen en handschriften) van het Provinciaal Archief (ACB) wordt een kapucijner kookboek bewaard (ACB III 9007). Het is waarschijnlijk het werk van broeder Nicolaus van Gent (Cornelius de Cleyne), ingekleed op 12 juni 1679, kok in Maastricht (1681-1688) en Mechelen (1711-1712). Hij stierf er op 4 juni 1724.

Zoals voor zoveel andere onderwerpen, heeft Hildebrand ook over dit kookboek de beste uitleg gegeven :

 

 

In Duitsland bestaat een zandtaart met de naam Kapuzinertorte, “eine “alkoholträchtige” Sandtorte, die süchtig macht”, pas dus op als je ze eet. Recept van deze taart, van de hand van Belledejour :

6 Eier, 375 g Zucker, 1 Vanilleschote (das Mark), 2 Tl Backpulver, 2 EL Zitronensaft, 175 g Dinkelmehl oder 405, 175 g Stärkemehl, 375 g Butter (flüssig), Belag:, 75 g Baiser, 1 Packung Schokoküsse, 1 Eiweiss, 125 ml Wasser, 1 1/2 EL Zucker, 12 EL Kirschwasser, 200 g Kuvertüre Edelbitter, Kakaopulver

- Schritt 1

Die Zutaten für den Sandkuchen der Reihe nach verarbeiten und in eine gefettete Springform füllen. Bei ca. 175 Grad ca. 90 Min. backen.

 

- Schritt 2

Zucker, Wasser und Kirschwasser mischen und mit der Hälfte davon den ausgekühlten, eingestochenen Boden tränken. Danach 1 x 100 g zerlassene Kuvertüre darauf streichen und trocknen lassen. Dann den Boden wenden und alles auf der anderen Seite wiederholen.1 Tag ziehen lassen.

- Schritt 3

Am nächsten Tag aus der Schokokussfüllung ohne Schokoladenummantelung und ohne Böden und dem geschlagenen Eiweiß eine Masse herstellen und die Torte damit überziehen.

- Schritt 4

Zum Schluss den zerbröselten Baiser auf die Torte geben. Mit Kakao abpudern.

(overgenomen uit http://www.kuechengoetter.de/rezepte/Kuchen/Kapuzinertorte-3766412.html).

 Pas op : in Oostenrijk wordt een gelijkaardige taart “besoffener Kapuziner” genoemd!

Eeuwenlang zijn de reftergebruiken grotendeels ongewijzigd gebleven. Oorspronkelijk maakte het hoofdstuk “De ritibus in refectorio servandis” deel uit van deel IV (De disciplina monastica), later van hoofdstuk III (De kloosteroefeningen) van het Gebruikenboek. In dat van 1958 vindt me de voorschriften in Hoofdstuk III, artikel 6 (“De oefeningen van boetvaardigheid”), § 3 De vasten en de onthouding en artikel 7 (“De gemeenschappelijke maaltijden”).

Er wordt niets gezegd over het eten zelf. Maar (opnieuw) Hildebrand behandelde dit onderwerp uitvoerig in deel 8, blz. 551-589 van zijn Geschiedenis van de kapucijnen in de Nederlanden.

“Gulzige monniken” waren een belangrijk onderwerp in de literatuur en kunst. We zouden verschillende afbeeldingen van dit thema kunnen geven, maar we beperken ons tot twee prenten.

De tekening van de eerste , The Holy Friar, werd gemaakt door Baronet Edward Herbert Bunbury ; de ets werd gemaakt door Thomas Rowlandson en ze werd gedrukt in Londen in 1807 door Thomas Tegg ; afmetingen 280 x 213 mm. Het British Museum bezit hiervan een handgekleurd exemplaar (B.M.1872.1012.4917). Het zijn zeker geen Kapucijnen die hier afgebeeld worden.

Pater C.J. Renz, O.P. behandelt deze prent in zijn “Monks and Friars and Food… Oh my! Exhibition notes. Food images in Christianity and the Monastic Life” (op internet te vinden onder Dominican School of Philosophy and Theology, van de Universiteit van Berkeley).

De tweede prent is een litho van de bekende Franse karikaturist Honoré Daumier (1808-1879). Hij publiceerde o.a. in het dagblad Charivari honderden litho’s over de burgerzeden en op 14 maart 1851 behandelde hij “Capucinade : la pauvreté contente (Catalogue H. Daumier 2813).

In het Nederlands bestaan enkele spreekwoorden over de gulzige monniken, zo “Monniken eten dat zy zweeten, en arbeiden dat zy koude krygen” ; of nog “’t is pater Goedleven” (zie Pr. Van Duyse, “Spreekwoorden aen geestelyke zaken ontleend”, in Belgisch Museum, 1841, blz. 224-227).

Maar alles is relatief. Het beeld van de kapucijn kan ook anders zijn. In Den Hollandszen praat-vaars van ca. 1745 vindt men volgend drinklied :

Chanson à boire

Boire à la Capucine,

C’est boire pauvrement,

Boire à la Celestine,

C’est boire richement,

Boire à la Jacobine,

C’est vuider la Chopine ;

Mais boire en Cordellier,

C’est vuider le Cellier.

De Kapucijn is dus in dit drinklied helemaal geen “smulpaap”. “Boire à la capucine” was in de 18de eeuw een bekende zangwijze. De eigennaam “Capucin gourmand” in de 20ste eeuw komt waarschijnlijk van het  onterechte beeld dat men over de Kapucijnen had en deze naam klonk en klinkt beter dan “Dominicain gourmand” ; “Jésuite gourmand” gaat helemaal niet.

In Frankrijk vindt men niet veel materiële sporen meer over de geschiedenis van de Kapucijnen : de meeste kloostergebouwen zijn lang geleden al afgebroken en de straatnaam “Rue des Capucins” is gewoonlijk veranderd. Maar er bestaan nog enkele restaurants en brasseries die de naam “Le Capucin gourmand” dragen.

Maar blijkbaar komt er ook sleet op dit begrip : één van de beste restaurant met die naam, dat in Nantes, heet sedert 2011 niet langer Le Capucin Gourmand maar wel Le Capu. In 1927 drukte de drukkerij Idoux een reeks postkaarten voor dit restaurant, naar tekeningen van René Deparday ; deze worden nog wereldwijd verkocht. Ze zijn niet echt van grote artistieke waarde en getuigen ook niet altijd van goede smaak…

 

In Leuven bestond tot einde vorig jaar het café “Het capucientje” op de hoek van de Kapucijnen- en Brusselsestraat ; sindsdien is er de fakbar van de apothekers in gevestigd en draagt het de naam “Den bijsluiter”.

In het Frans bestaat er geen woord om letterlijk “smulpaap” te vertalen ; misschien  kan men in deze taal dan de omschrijving “Le capucin gourmand” gebruiken. Professor em. W. Van Hoecke wist ons te vertellen dat samenstellingen als “smulpaap” niet bestaan omdat die taal geen vrije lexicale compositie kent zoals het Nederlands. Hij suggereerde de vertaling “glouton comme un moine”.

In de Franse keuken werd (en in Zuid-Frankrijk wordt) een “Capucin” gebruikt. Op wikipedia vindt men hierover volgende verklaring :

Flamboir of een kapucijner is een keukengerei van ijzer, gebruikt in de keuken in Frankrijk sedert de middeleeuwen. Al vindt men het vandaag de dag niet terug in sommige streken, is het tot ons gekomen vanuit enkele regio’s uit het zuiden, meer bepaald uit Aveyron (Centraal Massief) waar men het een flambadou noemt (een verfranste schrijfwijze van het Occitaans flambado). De kapucijner wordt gebruikt op het moment van het opdienen. Vooraf wordt het witgloeiend gemaakt in sintels, om vet op de stukken vlees te kunnen smelten die gegrild werden aan een spies, zodat ze de smaak van geflambeerd vet krijgen. De kapucijner is geheel uit metaal vervaardigd. Het bestaat uit een lange steel (nodig om de intense hitte van de haard te behouden) met daaraan een kleine trechter, die het afvloeien van het brandende vet op het stuk vlees mogelijk maakt.

 

Foto overgenomen uit TripAdvisor

Tekstvak: Foto overgenomen uit TripAdvisor
In het 3-sterren(weg)restaurant Capucin van Michel en Sébastien Bras in Laguiole in Aveyron, (sinds september 2013 nu ook in Toulouse, kan je een kapucijner eten, een snack uitgevonden door  deze twee broers. Het principe is een pasta gemaakt van boekweitpannenkoek zoals deeg, maar veel minder liquide, in een speciale mal gegoten, geïnspireerd op de Flamadou of kapucijner. De vullingen zijn vervaardigd uit 100% streekproducten : “peer roquefort”, “gevulde kool”, “Laguiole abrikoos”, …   De prijs is democratisch, maar je moet wel lang aanschuiven… 

Het woord “Capucin” kent in het Frans ook nog andere betekenissen : een pennenmes, een knoop, maar als het om een persoon gaat, hebben we de indruk dat er een negatieve bijklank is : “[président] Hollande moine capucin”, maar de Capucin hollandais is een (betrouwbaare) duivensoort.

Tenslotte nog iets belangrijks : naar men ons zegt eet men in alle Vlaamse Kapucijnenkloosters gezond en lekker (minder of meer gekruid) ; het beste “restaurant” zou dat van Brugge zijn. Dus in Brugge zou niet alleen De Karmeliet drie sterren hebben, maar ook … De Kapucijn!

E.P. en G.V.R.

Van onze medebroeder Walbert Defoort kregen wij het volgende artikel toegezonden:

Overgenomen uit : http://blogifhumour.canalblog.com/archives/2013/08/12/27824333.html

 

 
CAPUCIENENBAARD
Overgenomen uit VOX jg. 67, nr. 2   april-juni 2014

In september start het nieuwe witloofseizoen. De teelt is intussen verspreid over alle windstreken maar nergens anders dan in België vind je de authentieke grondwitloofcultuur terug.

Voor het ontstaan van de witloofteelt moeten we terug naar het begin van de negentiende eeuw naar Schaarbeek. De groentetelers van toen, de boerkoezen, teelden o.a. capucienenbaard waarvoor zij dikke wortels gebruikten en na verloop van tijd gingen de boerkozen zich toeleggen op de verbetering van de eerste scheut. Hierdoor evolueerde de Brusselse capucienenbaard automatisch in de richting van de huidige witloofkroppen.

Aanvankelijk bleef de teelt beperkt tot Schaarbeek maar op het einde van de negentiende eeuw groeide er ook interesse in aangrenzende gemeenten. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond de “witloofdriehoek” Brussel-Mechelen-Leuven. Vandaag is de teelt en de forcerie van grondwitloof uitgestrekt over een vrij groot grondgebied van Vlaanderen met als kern Vlaams-Brabant.

Dankzij een initiatief van de vzw Brussels grondwitloof bestaan er voor het grondwitloof vandaag twee erkenningslabels: het Europese label voor Brussels grondwitloof en het Vlaamse label Streekproduct.BE voor Brabants grondwitloof.

 

SPOTPRENTEN VAN KAPUCIJNER BEDELBROEDERS
Overgenomen uit VOX jg.67 nr3, juli-september 2014
 
Bedelen was een levensnoodzakelijk onderdeel van het Kapucijner kloosterleven vroeger. In de kringen van de Verlichting in de 18de eeuw werd er herhaaldelijk geschreven over de topos van de bloedzuigende, luie en profiterende bedelmonniken, zoals Carolin DROICH onlangs nog verhaald heeft in haar studie Der Topos vom blutsaugenden,faulen und schmarotzenden Mönch. –Antimonastische Polemik und Kritik an Mönchtum und Klosterwesen (Munchen, 2009). De kloosters waren in de ogen van de Verlichters niet alleen “onnuttig”, maar zelfs nadelig voor de maatschappij, want door het bedelen profiteerden ze van de mensen. Jozef II heeft daarom in de Oostenrijkse Erflanden (dus vooral in Oostenrijk zelf en Hongarije) de bedelordenkloosters afgeschaft en de opbrengst van de verkoop van hun goederen gebruikt om het parochiewezen te reorganiseren. In de Oostenrijkse Nederlanden is hij niet zover gegaan ; hier heeft hij “enkel” de kloosters van de beschouwende orden afgeschaft.
Maar de spotprenten die we hier willen behandelen, spotten niet met deze topos, maar wel met de overtreding van de gelofte van zuiverheid in de kapucijnerkloosters : dagelijks werden stiekem jonge vrouwen naar het klooster gebracht. De overtreding van deze gelofte werd ook beschreven in pornografische boeken (met kapucijnen in de hoofdrol) en op spotprenten, uitgegeven vooral in Frankrijk, de Verenigde Provincies en Oostenrijk vanaf ca. 1670. In de Oostenrijkse Nederlanden werden ze waarschijnlijk niet gepubliceerd, mogelijk omdat toen hier de censuur streng was. In de 19de eeuw zou dit veranderen, denken we maar aan de prenten van Félicien ROPS.
In dit artikel willen we een overzicht geven van de prenten die een Kapucijner bedelbroeder voorstellen die op zijn rug een tarweschoof draagt met daarin verborgen een jonge vrouw en prenten die “levering” van die schoof met inhoud in het klooster afbeelden. Dit thema wordt ook verwerkt bij de productie van porseleinen reukflesjes ; dit zal het onderwerp zijn van een volgend artikel ; ook willen we het hebben over de spot die men dreef met de zakken in het habijt van de kapucijn.
Tenslotte zullen we aan de hand van de publicaties van de Commission des Réguliers (1766-1780) het oordeel van de hoogste wereldlijke en kerkelijke overheden beschrijven.
Volgens de vroegere conservator van het Museum Mayer-Van den Bergh te Antwerpen, Jozef DE COO, dateert de oudste afbeelding van dit onderwerp van rond 1700 (“Vom Bettelmönch zum Riechfläschchen. Von Modelleuren ausgenützte Stichpiraterie“, in Pantheon. Internationale Zeitschrift für Kunst, 1984, blz. 333-339). Het is een pentekening, 95 x 140 mm groot, in 1984 in privébezit (zie AFBEELDING 1). De huidige bewaarplaats is niet bekend. DE COO vermoedt dat de Tsjechische barokschilder Peter SCHECK ze gemaakt heeft. Op deze prent worden duidelijk kapucijnen met baard en kap afgebeeld.
 

De TWEEDE AFBEELDING van een bedelbroeder met een meisje in een korenschoof op zijn schouder vonden we in het Album amicorum van Johann Wilhelm BRENNER (Jena, Leipzig, 1748-1753). Dit Album werd in 2006 door het Antiquariaat Forum (’t Goy, Nederland) te koop aangeboden, zie Catalogue 109, nr. 100. Deze miniatuur toont ons een “bruine pater” zonder baard, dus geen kapucijn.

Zoeken we nu gedrukte prenten met ons thema. Niet alle prentenkabinetten hebben hun collecties 

digitaal ontsloten, zodat men mag veronderstellen dat er nog andere prenten zijn dan deze die we hier aanduiden. Een bijkomende moeilijkheid is dat veel prenten geen titel hebben en we dus op het thema moeten zoeken. Voor ons onderzoek gebruikten we vooral de verzamelingen van de Parijse Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Collectie De Vinck (via Gallica) en van het British Museum (via de Online catalogue). Voor de andere Franse openbare verzamelingen gebruikten we Joconde ; in het Prentenkabinet van de Brusselse Koninklijke Bibliotheek zouden zich geen prenten over ons onderwerp bevinden.
We onderscheiden vijf thema’s : Provision for the convent ; L’excellente pourvoyeur ; La provision échappée, La provision journalière en The convent provided.
1. “Provision for the convent”
De bedelbroeder met de korenschoof komt met zijn buit aan bij de kloosterpoort. Er worden geen andere kapucijnen afgebeeld. AFBEELDING 3 : Titel “Provision for the convent” op het mandje dat de broeder draagt met zijn linker hand. Mezzotint van onbekende kunstenaar, 265 x 253 mm. groot , gedrukt te Londen door John RYALL, die daar actief was tussen 1752 en 1790 en Robert WITHY, actief tussen 1760 en 1780. Als volgt beschreven in de catalogus van het British Museum “Satire : a barefoot monk with a crucifix and a basket of provision labelled “Provision for the Convent”, carrying a sheaf of corn in which is hidden a woman, approaches the entrance to a monastery on the left”. (B.M., 2010.7081.3149).
AFBEELDING 5 : Titel “Provision for the convent” op mandje dat bedelbroeder draagt met zijn rechter hand. Mezzotint van onbekende kunstenaar ; afmetingen : 352 x 252 mm., gedrukt te Londen door J. BOWLES (actief te Londen tussen 1766 en 1793) en Carington BOWLES (+1779) In de catalogus van het
British Museum beschreven als : “Satire : a barefoot monk with a crucifix and a baseket of provisions labelled “Provision for the convent”, carrying a sheaf of corn in which is hidden a woman, approaches the entrance to a monastry on the right” (B.M.2010.7081.3148). Het Prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale te Paris bezit een exemplaar van deze prent zonder vermelding van de drukkers (Collectie De Vinck, 3388).
Het British Museum bezit een mezzotint van een onbekende kunstenaar met dezelfde titel op het mandje, gedrukt in Londen voor Carrington BOWLES ; afmetingen : 152 x 113 mm. (B.M.2010.7081.1491). In de catalogus van het B.M. wordt gezegd dat dit de verkleinde versie is van de vorige afbeelding. Geen reproductie op de website van het B.M
AFBEELDING 6 : geen titel ; afmetingen 143 x 115 mm. MEZZOTINT van onbekende kunstenaar, volgens de catalogus van het British Museum gedrukt te Londen rond 1790 (B.M.2010.7081.2049).
2. “L’excellent pourvoyeur”
Twee van deze prenten, gedrukt te Parijs, hebben als onderschrift : “Soyés, mes Révérends, bien sensibles aux soins/ que ce quêteur (2de prent voegt bij “zelé”) pour tous vos besoins./Il apporte au couvent de bonne marchandise/ et vous devés vous y fier/ car qouiqu’il ait la barbe grise/il se connois parfaitement bien”.
AFBEELDING 7 : Ets gedrukt door de bekende drukker P.-A. BASSET, volgens de catalogus van de Collectie de Vinck van de Bibliothèque Nationale in 1790 (Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3389) ; afmetingen : 305 x 200 mm. Merk op de bedelbroeder gaande naar links komt aan de kloosterpoort, waar hij opgewacht wordt door twee kapucijnen. Achter de broeder staat een jongen te kijken. Aarden toegangsweg.
AFBEELDING 7 : Ets gedrukt door de bekende drukker P.-A. BASSET, volgens de catalogus van de Collectie de Vinck van de Bibliothèque Nationale in 1790 (Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3389) ; afmetingen : 305 x 200 mm. Merk op de bedelbroeder gaande naar links komt aan de kloosterpoort, waar hij opgewacht wordt door twee kapucijnen. Achter de broeder staat een jongen te kijken. Aarden toegangsweg.
AFBEELDING 8 : Ets van onbekende kunstenaar, gedrukt te Parijs door J. CHEREAU, volgens de catalogus van de Collectie de Vinck in 1790. Afmetingen : 300 x 210 mm. Merk op : er staat geen jongen achter de bedelbroeder ; toegangsweg is geplaveid ; andere toegangspoort dan in afb.7 (Parijs, Bibliothèque Nationale, Coll. de Vinck, 3390).
AFBEELDING 9 : Afgebeeld in DE COO, Vom Bettelmönch, afb. 9 naar exemplaar in het Museo Francescano te Rome. Afmetingen : 284 x 192 mm. Laatste regel van het onderschrift : “le saint homme en a fait l’épreuve le premier”. Niet bekend is wie deze ets gedrukt heeft en wanneer. Onderaan de prent staat het monogram S.D. In het bekende naslagwerk over de monogrammisten van G.K. NAGLER, Die Monogrammisten, deel 4, blz. 1117-1119 worden verschillende kunstenaars aangeduid die het monogram S.D. gebruikten. De meesten kan men om allerlei redenen uitsluiten. DE COO dacht dat S.D. moest vereenzelvigd worden met de Duits-Tsjechische graveur Samuel DVORZAK (+1689). Toch zijn er ernstige bezwaren tegen deze identificatie : onze gravure past niet in de oeuvre-catalogus van Dvorzak, die - voor zover men weet- alleen gewone religieuze thema’s behandeld heeft ; er zijn ook geen prenten van hem bekend met Franstalige onderschriften ; ten slotte lijkt ons deze prent eerder te dateren uit de 18de eeuw. De onbekende kunstenaar heeft voor het maken van zijn afbeelding van de bedelbroeder zeer waarschijnlijk het portret van de Conventuelenorde Filippo de Rebaldi, gemaakt door Francesco Villemena, gebruikt, zoals De Coo aangetoond heeft (zie DE COO, afb. 10).
3. “La provision journalière”
AFBEELDING 10 : Op een boertige ets , in de catalogus van de Collectie de Vinck gedateerd op 1790, komt een afbeelding voor van “La provision journalière”. Onze bedelbroeder wordt aan de kloosterpoort door twee kapucijnen verwelkomd. Naast de kloosterpoort ziet men de voorzijde van de kloosterkerk (Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3378).
4. “La provision échapée”
Drie prenten uit de Collectie De Vinck hebben de titel “La provision échapée” De koord waarmee een kapucijn de zak met het meisje wilde naar boven trekken, werd gelost en de zak valt naar beneden waar een kwade gardiaan vergezeld van twee medebroeders staat te wachten.
Legende : “Qui vous sert frere Ognon de vous mettre en furie/ menaçant du doigt cet amant malheureux/ Et vous frere Lubin a maltraiter Silvie/ qui doit vous attendrir en tombant à vos yeuw./ Ah menagé plutôt cette innocente proye/ qui de votre maison fera toute la joye.
AFBEELDING 11 : ets van een onbekende kunstenaar, gedrukt te Parijs door Basset, volgens de catalogus van de Collectie de Vinck in 1790, afmetingen : 290 x 200 mm. (Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3391).
AFBEELDING 12 : lichtjes afwijkende voorstelling ; ets van een onbekende kunstenaar, gedrukt in Parijs in 1790 volgens de catalogus van de Collectie de Vinck ; afmetingen : 245 x 185 mm. We kennen twee exemplaren van deze prent : Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3392 en Londen, British Museum, 1991.0615.4.
AFBEELDING 13 : omgekeerde voorstelling van de vorige prent, gedrukt in Parijs door een onbekende drukker en dit in 1790 volgens de catalogus van de Collectie de Vinck ; afmetingen : 280 x 200 mm. (Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes, Coll. de Vinck, 3393)
5. “The convent provided”
AFBEELDING 14 : ten slotte komt het meisje aan in het klooster waar ze blij ontvangen wordt. Tekening van de Zwitsers-Engelse kunstenaar Samuel Hieronymus Grimm (1733-1794) ; mezzotint gemaakt door William DICKINSON en gedrukt in Londen in 1775 door John BOWLES ; afmetingen : 350 x 250 mm. (Londen, British Museum, 2010.7081.906).
Zoals men kan zien, dateren de meeste prenten uit de tweede helft van de 18de eeuw, zeker deze die in Parijs gedrukt zijn. J. DE COO en Pater Servus GIEBEN (“Christelijke iconografie. Problemen en oplossingen”, in Desipentia. Kunsthistorisch tijdschrift, 2(1995)2-3, blz. 4-11)) zijn van mening dat de oorsprong van dit thema moet gezocht worden in het 17de-eeuwse dispuut van de kapucijn Valerianus Magni en de Jezuïeten. Dit lijkt ons te ver gezocht : het thema is in feite ingebed in de eeuwenlange satire op het kloosterleven in het algemeen. Dat in de 18de eeuw de kapucijnen vooral tot onderwerp van satire dienden, kan men anders verklaren. In sommige landen, zoals Frankrijk, was de kapucijnerorde de orde met de meeste kloosters en het grootst aantal kloosterlingen. Ze kwamen door hun activiteiten veel in beeld ; ze vielen ook op door hun armoedig habijt. Als men tijdens de Verlichting in de 18de eeuw de kloosters wilde aanvallen, richtte men zich tegen hen. In de 18de eeuw was de Orde in Frankrijk zeker niet in verval, integendeel de Commission des réguliers looft de Orde omdat men trouw is aan het kloosterideaal. De Commission ziet dus geen reden om hervormingen voor te schrijven of om hun kloosters af te schaffen.
Onze prenten zijn dus uitingen van spot door “verlichte geesten”; personen die zich niet kunnen inbeelden dat de kloostergeloften nageleefd worden of meer nog het kloosterwezen willen aanvallen. Ze richten zich tegen de kapucijnen omdat zij de grootste groep met de meeste activiteiten vormden.
E. PERSOONS en G. VAN REYN
 
UIT VERVLOGEN TIJDEN
Overgenomen uit VOX jg. 67, nr. 4  oktober-december 2014
Uit vervlogen tijden
KAPUCIJNEN OP PRENTEN EN TEKENINGEN TIJDENS DE BRABANTSE REVOLUTIE (1787-1792)1
door E. PERSOONS en G. VAN REYN
Met uitzondering van de periode van de Brabantse Revolutie zijn er niet veel politieke prenten waarop kapucijnen uit de Nederlanden afgebeeld staan. Ook voor dit onderwerp heeft pater HILDEBRAND grondig onderzoek gedaan en talrijke prenten werden gereproduceerd in zijn meesterwerk, De kapucijnen in de Nederlanden en het prinsbisdom Luik, meestal echter zonder aanduiding waar de prenten bewaard worden.
Aanleiding om dit artikel te maken is de publicatie van Stijn VAN ROSSEMs studie Revolutie op de koperplaat. Repertorium van politieke prenten tijdens de Brabantse Omwenteling, 1787-1792 (Leuven, 2012). Dit merkwaardig boek telt 570 bladzijden waarin 388 prenten worden beschreven. Jammer genoeg zijn vele afbeeldingen te klein gedrukt en ook niet altijd even duidelijk : zelfs met een vergrootglas slaagt men er vaak niet in te herkennen wat er precies is afgebeeld of welke legende of tekst er onder de prent staat.
Van Rossem onderscheidt vier periodes, en we zullen zijn chronologische indeling hier overnemen.

Eerste periode : Van verzet tot opstand (1787-1789)
Slechts twee van de door Van Rossem vermelde 114 prenten beelden kapucijnen uit : De eerste prent, een anonieme ets toont het eerbetoon op de Grote Markt te Brussel op 31 mei 1787 aan de Landvoogden omwille van de herroeping van de door Jozef II opgelegde hervormingen (VAN ROSSEM, nr. 19; afbeelding 1). Een kapucijn is als toeschouwer links afgebeeld.
1 Met dank aan Vera BRAS (Legermuseum, Brussel), Bérengère DE LAVELEYE (Broodhuis, Brussel), Noel GEIRNAERT
(Stadsarchief Brugge) en Jean HOUSSIAU (Stadsarchief Brussel). In het boek van Stijn VAN ROSSUM, Revolutie op de koperplaat, wordt aangeduid in welke Belgische collecties deze prenten bewaard worden; meerdere prenten worden ook bewaard in het Wien Museum te Wenen (zie Wienmuseum, Sammlung online), het
Prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale te Parijs (zie Gallica) en de vroegere verzameling van Jean JADOT (Brussel).
 

afbeelding 1

Tweede prent : VAN ROSSEM, nr. 70 : Diné canonial, is mogelijk van Philippe-Jozef MAILLART uit 1788 (afbeelding 2).

afbeelding 2

VAN ROSSEM meent dat deze prent handelt over de opheffing van de contemplatieve kloosterorden en over het harde beleid van de Oostenrijkse regering. Deze uitleg voldoet ons niet : waarom komen twee kapucijnen bedelen op dit diner van de landvoogden ? De kapucijnen behoorden niet tot de contemplatieve kloosterorden en werden ook niet afgeschaft door Jozef II in de Oostenrijkse
Nederlanden. Er is waarschijnlijk – zoals Van Rossem aanduidt – een verband tussen het woord
“canonial” en de kanonnen die afgebeeld zijn voor de landvoogden. Deze prent komt ook voor in de tweede uitgave van S. TASSIER, Les Démocrates Belges de 1789, 2de uitgave. De illustraties werden bijeengebracht en gecommentarieerd door J. VERCRUYSSE (Brussel, 1989), en op blz. 40 vinden we de afbeelding terug met volgende legende:
Ce Diné canonial, dénonciation du mode de vie mondain des chanoines séculiers, exprime aussi le rancœur des moines “mendiants” des ordres monastiques supprimés par Joseph II.
Dit is natuurlijk niet correct. De interpretatie van deze prent blijft onduidelijk, maar de kapucijnen worden hier zeker niet negatief voorgesteld.
Tweede periode : Van revolutie tot natie (1789-1790)
Voor deze periode vermelden we hier twee prenten en één tekening.
Van Rossem, nr. 115 : “The young hero of Turnhout/ Le jeune heros de Turnhout”, Engelse prent gepubliceerd in Londen in 1790 naar aanleiding van de overwinning van het leger van de Patriotten op de Oostenrijkers te Turnhout op 28 oktober 1789. Vooraan een geknielde kapucijn, met een kruis in zijn linkerhand en een zwaard in zijn rechterhand (afbeelding 3).

afbeelding 3

VAN ROSSEM vermeldt acht prenten over de strijd van de Patriotten in Gent op 13-17 november 1789
(VAN ROSSEM, nrs 116-123), maar op deze prenten komen geen kapucijnen voor. Pater HILDEBRAND, De
Kapucijnen, 10, tegenover blz. 192 reproduceert in zwart-wit een gekleurde tekening, bewaard in het Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel met hierop twee kapucijnen die staan te kijken naar de tocht van de gevangengenomen Baron van Lunden door de stad Gent op 16 november 1789. Legende van pater HILDEBRAND : “De Oostenrijkers te Gent door de Patriotten gevangen genomen”, zonder vermelding waar deze anonieme tekeningen bewaard worden. Eén van beide tekeningen is gereproduceerd in TASSIER, Les Démocrates, blz. 124-125 (afbeelding 4).

afbeelding 4

In deel IV van zijn repertorium (Van afrekening tot verzoening, 1790-1792) heeft VAN ROSSEM een rubriek “Varia” voorzien (nrs 384-388). Enkele van de daar behandelde prenten handelen over feiten van voor de slag bij Falmagne; wij passen deze in de chronologische volgorde van de gebeurtenissen in. Zo VAN ROSSEM, nr. 384 "Ausbruch der fanatischen Rebellion zu Brüssel am 12.ter Dec. 1789“, gepubliceerd in 1791 in Wenen door LÖSCHENKOHL. Er worden paters van verschillende kloosterorden afgebeeld, waaronder kapucijnen; sommige paters zijn afgebeeld als veldpaters. Het Wienmuseum heeft van deze gravure een exemplaar in kleuren en een in zwart-wit (zie afbeelding op internet Wienmuseum, Sammlung online).

Derde periode : de Verenigde Nederlandsche Staten (1790)

De Brabantse Omwenteling kon aanvankelijk op veel sympathie van de Franse revolutionairen rekenen, maar dit veranderde toen bleek dat de Conservatieven (de Statisten) de macht gegrepen hadden door de Vonckisten (de Democraten) uit te schakelen en toen de populaire generaal Van der Mersch afgezet werd en opgesloten werd in Antwerpen. Aanleiding van deze machtsovername was de overhandiging door de Vonckisten aan de Staten van Brabant van hun plan voor de staatshervorming ( 15 maart 1790). Vonck was verplicht eerst onder te duiken wegens de oproer van het gepeupel te Brussel ; daarna moest hij – evenals veel van zijn aanhangers- vluchten naar Frankrijk. De Vonckisten zetten daar natuurlijk hun pennenstrijd tegen de Statisten en tegen Van der Noot verder. Dit werd overgenomen door Franse revolutionairen zoals Camille Desmoulins die in nr.18 (29 maart 1790) van zijn weekblad Révolution de France et de Brabant handelde over de strijd tussen de Statisten en de Vonckisten. Ieder nummer van dit weekblad had op het titelblad een afbeelding met meestal een karikaturaal thema. Op nummer 18 prijkt Van Eupen gezeten op een ezel met een vlag waarop staat “Ego sum stultus propter Christum” (zie Google books, ex. van de Gentse Universiteitsbibliotheek, VAN ROSSEM, nr. 186). Deze karikatuur werd bij de tekst van DESMOULINS gevoegd door zijn uitgever GARNÉRY. In feite werd ze gemaakt te Brussel in opdracht van de Société de la Révolution in begin 1790 (zie Révolution de France et de Brabant,nr.14). Dezelfde karikatuur van VAN EUPEN werd opnieuw gedrukt in Parijs in 1790 door de bekende prentenhandelaar Paul-André BASSET. Een kapucijn leidt nu de ezel aan de teugel en houdt in zijn rechterhand een kruis (zie

VAN ROSSEM, nr. 286-287; afbeelding 5). De eerste prent werd door pater HILDEBRAND, De Kapucijnen, 10, tegenover bladzijde 177 gereproduceerd. BASSET publiceerde talrijke prenten over de Franse Revolutie, meestal felle aanvallen tegen aristocraten en clerus.

afbeelding 5

Er zijn ons maar twee voorstellingen van andere gebeurtenissen in 1790 bekend.
 In S. TASSIER, Les Démocrates Belges, blz. 237 wordt een anonieme tekening afgebeeld, bewaard in het Gruuthusemuseum te Brugge. Deze stelt voor volgens het onderschrift in het boek
 “Manifestation publique statiste de masse sur le marché de Bruges, le 1er août 1780,rassemblant le clergé, la bourgeoisie et l’armée (afbeelding 6). Onderaan rechts bemerkt men twee kapucijnen.

afbeelding 6

Pater HILDEBRAND (De Kapucijnen, 9, blz. 297-299) heeft uitvoerig de tragische moord van de jonge Willem VAN CRIEKINGE (van Krieken) uit Wezemaal in Brussel op 6 oktober 1790 behandeld. Deze wilde trouwen met het nichtje van de conservatieve pater en publicist AEMILIANUS van Anderlecht. Waarschijnlijk op diens aanraden weigerde het meisje, misschien omdat Willem een Vonckist was. Deze laatste zag AEMILIANUS , het beeld van O.L. Vrouw van Laken dragend, in een processie te Brussel en hij zei luid : “Die lapzakken en luiszakken ziet men overal”. Een omstaander riep hem tot de orde en er ontstond een handgemeen. Willem werd naar de stadsgevangenis gebracht; na de processie ging het gespuis hem echter uit de gevangenis halen om hem op te hangen, maar de koord brak. Men nam daarom de zaag van een voorbijkomende timmerman om zijn hoofd af te zagen. Deze twee voorvallen (het ophangen en het afzagen van het hoofd) worden afgebeeld op een gravure in de Almanach des tréspassés van de democraat en zeer misnoegde democraat Emmanuel-Joseph DINNE, uitgegeven met het schijnadres Andoy, maar in feite te Leuven in 1791 (tegenover blz. 59 en 61).

afbeelding 7 ; VAN ROSSEM, nrs 350-351. Ook in het boek Het Verlost Nederland van de royalist SPANOGHE, uitgegeven in Delft in 1791 wordt op blz. 184-185 deze moord verteld, maar zonder afbeelding. 

afbeelding 7

Vierde periode : Van afrekening tot verzoening (1790-1792)
Veruit het grootst aantal spotprenten van kapucijnen dateren uit deze vierde periode (VAN ROSSEM, nrs. 301-388), dit wegens de rol die aan de kapucijnen toegeschreven wordt van veld-aalmoezeniers / soldaten in het leger van de Patriotten, het zogenaamde Kruisvaartleger.
We onderscheiden hier vier thema’s: a) het leger; b) de slag van Falmagne; c) de kapucijnen veld-aalmoezeniers en d) de afrekening met het Statistisch regime.


a) Het Kruisvaartleger
De conservatieve en keizersgezinde graveerder en drukker Johann Martin WILL van Augsburg (1727-1806) publiceerde talrijke prenten over gebeurtenissen in ons land, bijvoorbeeld over de Keteloorlog van Keizer Jozef II, maar ook over het Kruisvaartleger van de Verenigde Nederlandsche Staten en hierop komen kapucijnen voor.
VAN ROSSEM, nr. 302 “Vorstellung des Kreuzzuges der Belgier aus Brüssel in das Lager”. De goedgeklede kapucijn stapt op met een zwaard in de rechterhand, zie nr. 6 : “Ordensgeistliche von verschiedenen Mönch-Orden” (afbeelding 8).
 

afbeelding 8

VAN ROSSEM, nr. 317 “Instruction des recrues de l’armée des insurgens à Bruxelles… dans la nuit du

23., 24 octob. 1790". 

VAN ROSSEM, nr. 318 “Die Wachtstube im Löven, 1790, 5 november” (afbeelding 9).

afbeelding 9

De eerste prent van WILL heeft een legende in het Duits; de twee andere in het Duits en Frans. Tekeningen over de Brabantse Revolutie werden ook gemaakt door de ons verder onbekende kunstenaar Heinrich VON DER BEECK (uit Aken of uit Archênes?). Waarschijnlijk graveerde LÖSCHENKOHL in Wenen zijn tekening “Der Kriegsraht in Brüssel in van Eupens Wohnung am 9. Nov. 1790”. Hiervan bestaan twee versies (afbeelding 10, zie VAN ROSSEM, nr. 319). Andere tekeningen van VON DER BEECK werden gegraveerd en uitgegeven door WILL in Augsburg volgens VAN ROSSEM.

afbeelding 10

b) De slag bij Falmagne op 22 september 1790

Twee prenten, getekend door VON DER BEECK, tonen ons deze veldslag. In de legende van beide prenten komt telkens dezelfde fout voor in de datum : 28 september in plaats van 22 september 1790.

De eerste prent (VAN ROSSEM, nr. 304) heeft geen uitvoerige legende; gegraveerd en gedrukt waarschijnlijk te Wenen door LÖSCHENKOHL (afbeelding 11). Een goede afdruk naar het exemplaar van de Parijse Bibliothèque Nationale, Prentenkabinet, Coll. De Vinck, 3371 (exemplaar niet vermeld door VAN ROSSEM) vindt men op de website van de Universiteit van Stanford (Archives numériques de la Révolution française. Images) of op de website van Gallica van de Bibliothèque Nationale. Ze staat ook (grotendeels) op de omslag van de tentoonstellingscatalogus De Brabantse Omwenteling 1789-1790 van het Koninklijk Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis (Brussel, 1983).

afbeelding 11

Op 8 januari 1791 plaatste de Weense graveerder en uitgever Johann Hieronymus LÖSCHENKOHL een aankondiging in de Wiener Zeitung om mee te delen dat hij een reeks prenten, 12 in aantal, uitgegeven had “Sammlung der Vorstellungen der Niederländischen Unruhen”. Volgens VAN ROSSEM (blz. 79-81) legde de Oostenrijkse censuur beslag op de prenten en de platen werden vernietigd. Verschillende prenten van LÖSCHENKOHL zijn niet gesigneerd en daarom is het moeilijk om uit te maken welke prenten zeker van hem zijn. Dit geldt ook voor deze prent over de veldslag bij Falmagne.

De prent van LÖSCHENKOHL diende als voorbeeld voor de prent uitgegeven door WILL in Augsburg ; deze is voorzien van een uitvoerige legende (VAN ROSSEM, nr. 305 ; afbeelding 12).

afbeelding 12

De prent werd ook gebruikt voor een prent gedrukt te Zittau door J.B. NEUMANN in zijn Geschichte der merkwürdigsten Volks-Aufstand und Staats-Umänderungen gegenwartigen Zeit besonders zu Lüttich, den Niederlanden und Frankreich (Zittau, 1791), zie Wikimedia “Bataille de Falmagne” (afbeelding 13)

afbeelding 13

Rond 1950 was een exemplaar van dit zeer zeldzame boek in het bezit van Alexis-August VERBOUWE (1872-1968). Zijn omvangrijke verzameling is volledig verspreid geraakt : een gedeelte kwam onder meer terecht in de Provinciale Bibliotheek te Brugge, in het Algemeen Rijksarchief en in het

Antiquariaat Alb. VAN LOOCK te Brussel. We geven hier een afdruk van deze prent aan de hand van het exemplaar van VERBOUWE, afgebeeld in Henri PIRENNE, Histoire de Belgique, geïllustreerde uitgave door Fr. SCHAUWERS en J. PAQUET (Brussel, 1950), blz. 273. VAN ROSSEM kende dit boek, maar geeft geen reproductie van de prent; ten onrechte zet hij “Zittau” onder Oostenrijk (deze stad werd op 23 juli 1757 volledig plat geschoten door het Oostenrijks leger : “Lange Zeit war das Schiksal von Zittau im Bewustssein der Menschen so präsent wie das von Dresden 1945 in der Gegenwart”); deze stad was gelegen in het Hertogdom Sachsen.

c) Kapucijnen als veld-aalmoezeniers in het Kruisvaartleger

Volgens HILDEBRAND waren zeker een tiental kapucijnen uit de Vlaamse en Waalse provincies veld-aalmoezeniers in het leger van de Patriotten. Buitenlandse spotprenten tonen onze veldpaters als krijgshaftige militairen met een zwaard in de hand. Twee van deze prenten stellen een kapucijn te paard voor die het leger aanvoert. De eerste is gemaakt door LÖSCHENKOHL (afbeelding 14, zie VAN ROSSEM, nr. 306) ; deze afbeelding werd hernomen door WILL in Augsburg en deze voegt er een uitvoerige legende aan toe (zie VAN ROSSEM, nr. 307)

afbeelding 14

Een tweede reeks prenten stelt veldpaters in militair uniform voor. Deze prenten beelden abt Hermans van de abdij van Tongerlo af (zie bijvoorbeeld VAN ROSSEM, nr. 307), of een dominicaan, of een minderbroeder, of een benedictijn, maar dikwijls een kapucijn. We kunnen vier reeksen van spotprenten van kapucijnen veld-aalmoezeniers onderscheiden.

i. Prenten gegraveerd en gedrukt door LÖSCHENKOHL

* Costume d’un très R.P.Capucin de l’armée des Croisés Belgique : fanatisme inv. ,vérité delin., onjuiste datum van de veldslag, zie VAN ROSSEM, nr. 310 (afbeelding 15). 

* Een variant van deze prent (met bomen en struiken) wordt bewaard in het Museo francescano te Rome en werd gereproduceerd door Pater GERLACH, “Rond een spotprent”, in Franciscaansch leven, 20(1937), bijlage 3 en door HILDEBRAND, Les capucins, blz. 219 (afbeelding 16).

 

afbeelding 15afbeelding 16
* Prent “Stultus propter Christum. Costume d’un R.P.Capucin tué à Falmagne à l’affaire du 28

7bre 1790”, zie VAN ROSSEM, nr. 311 (afbeelding 17).

* Tracht eines Hochwürdigen P. Kapuziner von der Armee des belgischer Kreuzfahrer so wie ihn bey der Schlacht bey Falmagne, am 28.sept.1790 fand. Erf. von Fanatismus, gezeichnet v.d. Wahrheit (niet in VAN ROSSEM ; zie afbeelding 18).

afbeelding 17afbeelding 18
*  „Abbildung eines P. Kapuziners von der Armee der belgischen Kreuzfahrer, so wie man im bei der Schlacht bei Falmagne am 28.sept.1790 fand“ (niet in VAN ROSSEM, zie afbeelding 19).

* „Ein Kapuzinerpater in der Niederländischen Rebellenarmee“, zie Wienmuseum, Sammlung online, Inv. HMW 38736 (niet in VAN ROSSEM).

* Misschien is de prent “Afbéldzel van eenen capucin uyt het belgis Cruys legher gelyk hij is bevonden in den slag van Falmagne” (VAN ROSSEM, nr. 312) ook van LÖSCHENKOHL. Of is de prent gemaakt en gedrukt in de Verenigde Provincies? (afbeelding 20).

afbeelding 19afbeelding 20
II.  Prenten gegraveerd en gedrukt in Frankrijk

* Costume d’un capucin de l’armée des Croisées belgiques, tel qu’il s’est trouvé à la Bataille de

Falmagne, A Paris, chez Basset rue St.Jacques. Kapucijn houdt zwaard in de rechterhand en kruis in de linkerhand (VAN ROSSEM, nr. 313, afbeelding 21).

* Costume…. A Paris, chez Basset rue St Jacques au coin de celle des Mathurins. Kapucijn houdt zwaard in de linkerhand en kruis in de rechterhand (niet in VAN ROSSEM, afbeelding 22).

afbeelding 21 afbeelding 22
* Pater HILDEBRAND, De kapucijnen, 10, tegenover blz. 177 drukt een prent af “Een kapucijn als vaandrig te Falmagne” en zegt hierover op blz. 190 : “Eén daarvan (van de spotprenten), gedrukt te Paris, verbeeldt een Pater (Kapucijn) als vaandrig en heet hem een Cordelier; maar de baard en de plaatsnaam Falmagne wijzen in een andere richting” (VAN ROSSEM, nr.314, afbeelding 23). Dit is niet juist, de Cordelier (Minderbroeder) heeft geen baard en - zoals hoger aangeduid- er werden niet alleen prenten van veldpaters-kapucijnen gemaakt, maar ook van veldpaters van andere kloosterorden.

* We moeten hier ook de prenten vermelden voorkomend in de boeken van de Franse

“boulvardjournalist” (VAN ROSSEM, blz. 63) A.L.B. ROBINEAU, die onder de schuilnaam Van-Schön-Swaartz in 1790 in Brussel (schijnadres ?) zijn Histoire secrète et anecdotique de l’insurrection belgique uitgaf (VAN ROSSEM, nrs. 293-300), waarin geen kapucijn afgebeeld wordt. Het jaar daarop publiceerde hij te Londen (schijnadres, misschien gedrukt in Parijs) anoniem L’espion belgique (Van Rossem, nrs. 339-343). In dit boek wordt een “Capucin belgique tué dans l’affaire qui s’est donné pres de Falmagne” afgebeeld (VAN ROSSEM, nr. 344 en HILDEBRAND, De kapucijnen, 10, tegenover blz. 208, afbeelding rechts) (afbeelding 24). Het koperen plaatje van deze gravure werd op 15 maart 1986 verkocht op een veiling van Boekhandel L. Moorthamers, zie Livres anciens et modernes, nr. 186.

afbeelding 23afbeelding 24
III. Verenigde Provinciën

Volgens de Naamlijst van de Nederduitsche boeken gedurende de jaeren 1790-1793 in ons vaderland uitgegeven (Amsterdam, 1794), blz. 96 verscheen in juni 1791 “Nauwkeurige gecouleurde afbeelding van een gewapend Brabantsch Capucijn, aanvoerder des armee der Belgischen Insurgenten; en door de Oostenrijksche troepen gevangen genomen in de Bataille van Falmagne, den 27 sept.1780, in ’t koper gebragt door Mejufvr. Evans met een toepasselijk dichtstukje”. In juni 1791 maakte ze ook een prent van Abt Hermans van Tongerlo en wordt er aan toegevoegd “De afbeelding van de Capucijn, enz. (zie verder blz. 96) is nu ook mede ongecouleurd te bekomen” (blz. 120). In augustus maakte ze ook een portret van Keizer Leopold II (blz. 142). De kunstenares die deze prenten graveerde en uitgaf was de Rotterdamse Sophia Wilhelmina EVANS (1772-1816). We hebben in publieke collecties geen gravures met de afbeelding van de Brabantse kapucijn gevonden, maar op 9 maart 2013 werden de gravures van de kapucijn en de abt van Tongerlo te Brugge verkocht door het Antiquariaat Marc van de Wiele met volgende beschrijving : 

2 planches coloriées et 2 ff. de texte volants décrivant : 1) Afbeelding van een voornaam brabantsch abt, chef van het gewezen jagercorps van Tongerlo, en 2) Afbeelding van een capucijn, aanvoerende de armee der belgische insurgenten ; door de Oostenrijksche troepen gevangen genomen in de Bataille van Falmagne. Ces 2 pl. Sont réalisées et pointillées et coloriées à la main et sont l’oeuvre de Sophia Wilhelmina Evans (1772-1816), graveur à Rotterdam.

We hebben geen foto van deze prent kunnen bekomen.

IV.  Brussel

In 1830 gaf de Franse lithograaf Marcellin JOBARD het boek Costumes belgiques anciens et modernes uit in zijn Lithographie royale te Brussel. De meeste tekeningen hiervoor werden gemaakt door MADOU en VAN HEMELRIJCK, maar plaat 32 is van de hand van BERTRAND en heet “Capucin brabançon de l’armée des patriottes de 1790” (zie VAN ROSSEM, blz. 10 8 ; Google books) (afbeelding 25). Of dit boek in 1830 veel succes kende, weten we niet, maar de Lithographie royale ging kort na het verschijnen van het boek failliet. De begeleidende tekst gemaakt door de koningsgezinde JOBARD keurt streng het optreden van de veldpater en van het leger van de Patriotten af.

afbeelding 25

d) Afrekening met het Statistisch regime

Het laatste hoofdstuk van deel IV van VAN ROSSEMs repertorium heeft tot titel “Afrekening met het

Statistisch regime”. In de reeds genoemde reeks “Varia” van dit hoofdstuk vindt men ook de gravure “Pardon sire Lion” van MAILLART. Een leeuw slaat een kapucijn op zijn ontbloot achterwerk. MAILLART wil hiermee het populisme van de clerus, hier vertegenwoordigd door een Kapucijn, veroordelen. MAILLART roept op tot samenwerking tussen Statisten, Vonckisten en Royalisten (VAN ROSSEM, nr. 388; afbeelding 26).

afbeelding 26

VAN ROSSEM, nr. 328 : allegorie ter verheerlijking van Leopold II, ontwerp van A.M. en G., 14 januari 1791. Nummer 12 van deze ets stelt voor : “La foudre écrase un Capucin botté et éperonné commandant à l’armée”. De ets werd naar het exemplaar bewaard in het Broodhuis te Brussel gereproduceerd in TASSIER, Les Démocrates Belges, 2de uitgave, blz. 261 (afbeelding 27).

afbeelding 27

 

VAN ROSSEM, nr. 334 “Les anges rebelles des Pays-Bas ou la rêve d’un an”. Onze Kapucijn ligt onderaan de rots. Van Rossem schrijft de prent toe aan MAILLART, maar in zijn commentaar op de prent, noemt hij deze een “Oostenrijkse prent” (afbeelding 28).

afbeelding 28

Het hoeft niet te verwonderen dat de verwoede aanhanger van Keizer Jozef II, de dichter en drukker

Cornelius Martinus SPANOGHE zijn gal uitspuwt over de Patriotten na de ondergang van de Verenigde Nederlandse Staten. Zijn woning en drukkerij in Antwerpen waren op 2 december 1789 geplunderd en in brand gestoken; hijzelf werd op 12 maart 1790 gevangen genomen en opgesloten bij de cellebroeders te Tienen. Hij publiceerde in 1791 in Delft “Het verlost Nederland, vereerlykt door de lang gewenste aenkomst huner koninglyke hoogheden de arts-hertogin Maria Christina, en den koninglyken prins Albertus Casimirus” (VAN ROSSEM, nrs. 355-383, Google Books). Eén van de afbeeldingen in dit boek (VAN ROSSEM, nr. 364, afbeelding 29) stelt een kapucijn met een ezelskop voor. De begeleidende tekst geeft duidelijk de mening weer van de Royalisten over de rol van de clerus en van de kapucijnen in de opstand.

afbeelding 29

LÖSCHENKOHL maakte tot slot nog een allegorie op de dood van de Brabantse Revolutie “Monument auf die fanatische Rebellion in den Niederlanden im Jahr 1789 und 1790” (VAN ROSSEM, nr. 335; zie exemplaar Wienmuseum, Sammlung online). Op de reproductie van deze ingekleurde ets kan men onmogelijk zien dat naast het grafmonument links enkele regulieren staan (waaronder een kapucijn), die het verdwijnen van het fanatisme betreuren.

x

x-x-x

-x-x-x-x-x-x- x-x-x

x

We hebben in ons chronologisch overzicht van prenten en tekeningen uit de periode van de Brabantse Revolutie de indeling van VAN ROSSEM gevolgd, maar eigenlijk moet men twee reeksen onderscheiden : enerzijds (i) prenten gemaakt in ons land, en anderzijds (ii) prenten gemaakt in het buitenland, want deze zijn volledig verschillend van aard.

I.  Binnenlandse prenten

Omwille van de censuur was het normaal dat politieke prenten anoniem verschenen. Een zeventigtal anonieme etsen overspannen de hele geschiedenis van de Brabantse Revolutie. VAN ROSSEM veronderstelt terecht dat deze als een eenheid moeten erkend worden en dat ze waarschijnlijk gemaakt zijn door de Brusselaar Philippe-Joseph MAILLART. Hij is een uitgesproken tegenstander van de hervormingen van Keizer Jozef II ; hij hoort thuis in het kamp van de Vonckisten (Democraten). Waarschijnlijk vlucht hij met Vonck naar Rijsel, waar een verzameling van zijn prenten gedrukt wordt

“Collection des differentes gravures, allegories,critiques,portraits, batailles et autres qui ont en rapport a la Révolution belgique” (zie VAN ROSSEM, nr.282). 

Na de terugkeer van de Oostenrijkers wordt hij royalist ; hij juicht de terugkeer van de Oostenrijkers toe.

Komen kapucijnen voor op zijn prenten ?

1787

Onze afbeelding 1, een ets uit 1787, toont het eerbetoon aan de landvoogden omwille van de herroeping door hen van de keizerlijke hervormingen. Dit gebeurde op 31 mei op de Grote Markt te Brussel. Bij de toeschouwers bemerkt men links een kapucijn ; andere regulieren worden niet afgebeeld. Zoals we zullen zien, is dit ook op andere prenten en gravuren het geval. De kapucijnen vertegenwoordigen hier niet de regulieren : onze paters kwamen veel op straat bij de mensen, ze waren zeer in beeld, ze waren echte “straatlopers” (volgens Van Dale is een straatloper (Zuidn.) iemand die veel op straat verkeert).

1788

De tweede prent (afbeelding 2) is een zuiver politieke prent. Zoals VAN ROSSEM terecht aangeeft, houdt deze afbeelding verband met het verzet tegen de militaire repressie (“le droit canon”) van de Oostenrijkers : Jozef II wil dat generaal d’Alton eventueel met geweld zijn hervormingen doet naleven. Maar waarom komen twee kapucijnen bedelen op het feestmaal van de landvoogden? Komen ze uit naam van de kloosterlingen vragen dat hun kloosters meer ontzien zouden worden in de hervormingsplannen van de Keizer? Dit is niet duidelijk.

1789

Geen prenten.

1791-1792

Twee prenten dateren waarschijnlijk van voor het einde van de Verenigde Nederlandsche Staten. In de ets “Pardon sire Lion” (afbeelding 26) wordt de schuld van de nederlaag gegeven aan de clerus, hier vertegenwoordigd door een kapucijn, die zegt “Pardon sire Lion : je ne mentirai plus ; je n’abuserai plus de la crédulité du peuple ; je ne ferai plus scier de tête pour l’amour de Dieu ; je ne ferai plus faire de miracles par N.D. de Laken, sur les Royalistes et les Vonckistes : je priera Dieu qu’il vous réunisse tous ensemble, car sans cela vous estes perdus”. Deze afbeelding verwijst naar de moord op Willem van Krieken, wiens hoofd afgezaagd werd omdat hij tijdens een processie de kapucijn Aemilianus van Anderlecht beledigd had, die in de processie liep met het beeld van O.L.

Vrouw van Laken.

De ets “Les anges rebelles des Pays-Bas ou le Rêve d’un an” toont de mislukte bestorming van de rots waarop een Oostenrijkse adelaar zit. Onderaan ligt een gewapende kapucijn op de grond (afbeelding 27).

Andere voorstellingen

Kapucijnen als toeschouwers bij grote manifestaties vindt men ook op de anonieme tekening die de gevangenneming van Baron van Lunden door de Patriotten te Gent op 16 november 1789 voorstelt aafbeelding 3) en op de lavistekening “Plechtigheid van den eed van getrouwheid aan de Staten van Vlaanderen” (Brugge, 3 oktober 1790) (afbeelding 6).

We hebben reeds de reactie van MAILLART op het einde van de Brabantse Revolutie aangegeven, maar er kwamen nog scherpere reacties op het bewind van de Statisten.

De Namenaar Emmanuel-Joseph DINNE, democraat en aanhanger van generaal VAN DER MEERSCH, publiceerde in Andoy (waarschijnlijk schijnadres voor Leuven ?) een bittere “Almanach des tréspassés pour l’année 1791” (VAN ROSSEM, blz. 64-65). Hierin wordt ook de moord op Willem VAN KRIEKEN bezongen en afgebeeld (afbeelding 7). Gelet op de mogelijke rol die de kapucijn AEMILIANUS van Anderlecht speelde in de liefdesaffaire van VAN KRIEKEN, is het normaal dat we op de afbeelding een kapucijn zien. Als men deze “Almanach” leest, is men verwonderd te constateren hoeveel wreedheden de Statisten op zo korte tijd begaan hebben. De namen van zijn moordenaars (brave Brusselaars) vindt men in Liste général et tableau des noms et des actions de tous les scélerats, coupe-jarrêts,assassins… 1790 (Brussel, 1791), blz. 12-15 (zie Google Books, ex. Gent,

Universiteitsbibliotheek), cfr. J. CALLEWAERT, “Wie was Van Kriecken?”, in Brabant Cronikel 18(2014)2, blz. 20.

De anti-statistische ets “Omnibus” is van onbekende kunstenaars (A.M. en G.). Afgebeeld wordt de ondergang van de Verenigde Nederlandsche Staten en de restauratie van het Oostenrijks bewind. De godin Themis verplicht de Staten om af te treden ; de eerste stand wordt verpersoonlijkt door de aartsbisschop ; een duivel trekt “le général abbé et fanatique Tongerloo” in de hel ; een duivel houdt een kapucijn (symbole de la perdition humaine) vast aan zijn baard en steekt hem met een vork. Afzonderlijk afgebeeld wordt onder nummer 12 “La foudre écrasse un Capucin botté et éperonné commandant à l’armée” (afbeelding 27).

De laatste afbeelding van een kapucijn komt voor in het boek van de royalist C.M. Spanoghe, Het verlost Nederland (afbeelding 28). De bijhorende tekst zegt duidelijk dat de kapucijnen de voornaemste beieveraers van de Revolutie zijn geweest. Zoals VAN ROSSUM schrijft : 

“Veroordeling van de leiders van de Verenigde Nederlandsche Staten, omwille van hun dwaasheid en de belangrijke rol van de reguliere clerus. De Nederlandse Staten worden voorgesteld als een menselijke figuur met de kop van een ezel. Zo wil men hun domheid benadrukken. De figuur draagt bovendien een kapucijnenhabijt, omdat deze orde zich het sterkst met de statisten had verstrengeld” (VAN ROSSEM, nr. 364).

De kapucijnen komen dus duidelijk in beeld op de gravures en tekeningen van tijdens de Brabantse Revolutie en dit zowel als “toeschouwers” bij feestelijkheden, als voorname aanstichters van het verzet tegen Keizer Jozef II. Dit werd hen toen de Brabantse Revolutie beëindigd was, ook duidelijk verweten door Demokraten en Royalisten. Maar om hun rol in deze opstand te begrijpen, moet men, naast de prenten, zeker de grote massa pamfletten, die aan de Revolutie voorafgingen, in de hand nemen (vele van deze pamfletten worden door Pater HILDEBRAND vermeld). Eén zaak is zeker : de Keizer dreigde wel de kapucijnen in de Oostenrijkse Nederlanden af te schaffen vooral wegens hun weigering om studenten naar het Seminarie Generaal te sturen, maar omwille van hun grote populariteit werden ze niet afgeschaft, in tegenstelling tot belangrijke abdijen als bijvoorbeeld ’t Park in Heverlee.

Maar populariteit is onzeker. Dat bemerkten de kapucijnen na de Restauratie. Pater HILDEBRAND verhaalt (deel 10, blz. 209-212) hoe Keizersgezinden of mensen door hen opgestookt op 25 februari 1791 verschillende kapucijnenkloosters plunderden en kapucijnen mishandelden. In pamfletten wordt aan de kapucijnen de schuld gegeven van bijvoorbeeld het mislukken van het Seminarie Generaal. Nog in de Franse tijd zegt de Overheid dat de kapucijnen bekend zijn om hun fanatisme en om de invloed die ze hebben ‘sur l’esprit des dupes et des sots” (HILDEBRAND, 10, blz. 269). In een volgende bijdrage hopen we te handelen over het beeld van de kapucijnen in de politieke publicaties in ons land in de periode 1780-1800.

II.. Buitenlandse prenten

Slechts een beperkt aantal prenten met afbeelding van kapucijnen zijn gemaakt in ons land. Het grootst aantal prenten van deze soort is van buitenlandse oorsprong en het zijn, op één uitzondering na (afbeelding 8), allemaal spotprenten.

De eerste prent is een mezzotint, gemaakt door P.W. TONKINS en de Antwerpenaar Ignatius Josephus

VANDEN BERGHE, gedrukt te Londen in 1790 en stelt de legendarische Jonge Held van de slag bij Turnhout voor (afbeelding 3). Ze hoort thuis in de reeks van prenten die helden van de revoluties moesten afbeelden; dit onderwerp kende toen zowel in Londen als in Parijs veel succes, zoals Stephane Roy beschreven heeft ("La gravure française à l’épreuve du modèle anglais : tradition et révolutions graphique à la fin du 18e siècle", in Révolution et contre-révolutions dans la gravure en

Europe de 1789 à 1889 (Hildesheim, 2010), blz. 26-44). Deze prent werd herdrukt in de Almanach des Deux-Nethes, 1807, blz. 330-331, hetgeen niet wordt aangegeven door VAN ROSSEM.

Drie belangrijke buitenlandse uitgevers hebben spotprenten over de Brabantse Revolutie gemaakt met daarop kapucijnen : (a) Paul-André BASSET te Parijs; (b) Johann Hieronymus LÖSCHENKOH in Wenen en (c) Johann Martin WILL te Augsburg. Minder belangrijk was Sophia EVANS te Rotterdam

a. Paul-André BASSET te Parijs

We vermoeden dat Basset als eerste zulke spotprenten over de Brabantse Revolutie heeft gemaakt.

De oudste door Van Rossem vermelde prent van Basset dateert van einde 1789 of begin 1790 (VAN ROSSEM, nr. 181). Deze ets toont de strijd tussen generaal d’Alton en de Patriotten te Gent (13-17 november 1789). Het onderwerp is hier volkomen verkeerd voorgesteld ; de prent diende als omslag voor nummer 12 van C. DESMOULINS, Révolutions de France et de Brabant. Op deze prent vindt men geen kapucijn afgebeeld. Daarna herneemt Basset een ets die als omslag van nr. 18 van het tijdschrift van Desmoulins gediend heeft. Deze ets stelde Kanunnik Van Eupen voor (VAN ROSSEM, nr. 186). Deze penitencier van het bisdom Antwerpen was een van de voornaamste leden van de regering van de Verenigde Nederlandsche Staten. Maar op de ets uitgegeven door Basset (VAN ROSSEM, nr. 287) wordt Van Eupen afgebeeld, gezeten op een ezel, - zoals op de vorige ets -, maar nu leidt een Kapucijn deze ezel ; de kapucijn heeft een kruis in de hand. Deze prent sluit aan bij de anti-statistische propaganda van de Democraten (Vonckisten).

Daarnaast heeft BASSET een reeks etsen gemaakt over het Congres (VAN EUPEN, VAN DER NOOT, PINEAU,

VAN HAMME) (VAN ROSSEM, nrs. 274, 276, 278 en 287) en over de veldpaters of aalmoezeniers van het

Kruisvaartleger van de Patriotten. We hebben in dit artikel enkel de Kapucijn-veldpater en de Minderbroeder (Cordelier)-veldpater afgebeeld, maar BASSET maakte ook dergelijke etsen van de abt van Tongerlo (VAN ROSSEM, nr. 309), van een Benedictijn (VAN ROSSEM, nr. 315) en een Dominicaan (VAN ROSSEM, nr. 316) ; (er ontbreken in het Repertorium van VAN ROSSEM een paar etsen). BASSET heeft denkelijk geen prenten meer gemaakt over het verder verloop van de Brabantse Revolutie, omdat hiervoor misschien geen belangstelling was in Frankrijk. Prenten van BASSET kon men niet alleen in Parijs kopen, maar ook bij prentenhandelaars in belangrijke steden en in Brussel in de boekhandels van Le Charlier en Godefroi de la Rivière.

Aanvankelijk diende de gravure vooral om schilderijen te reproduceren en om landschappen af te beelden, maar dit veranderde geleidelijk aan. De gravures werden een eigen kunstvorm en in de 18de eeuw een machtig propagandamiddel. Dit was ook het geval voor de Brabantse Revolutie, maar nog meer voor de Franse Revolutie (1789-1792). Dit thema is de laatste jaren, mede in functie van de herdenking van de Franse Revolutie, herhaaldelijk aan bod gekomen (zie de bibliografie van James E.May op de website van “The Bibliographical Society of America/Bibsite” : Recent studies on book illustration and engraving en ook Recent studies of censorship. De gravures in verband met de Franse Revolutie kan men beter dan deze in verband met de Brabantse Revolutie bestuderen omdat ze grotendeels op internet beschikbaar zijn (via Gallica van de Bibliothèque Nationale te Parijs en het project Archives numériques de la Révolution française/Images van deze Bibliotheek en de Standford

University Libraries (ca.14.000 items tot nog toe, waarvan een 88 van de ons reeds bekende MAILLART). Deze prenten worden in Parijs in het Prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale bewaard, in de algemene prentencollectie, in de collectie Hennin over de Franse geschiedenis en vooral in de collectie van de Belgische diplomaat De Vinck. Paul-André BASSET was één van de voornaamste Parijse prentenmakers tijdens de Franse Revolutie, over zijn activiteiten maakte de Kanadees Stéphane ROY in 1996 een doctoraatsthesis in Montréal : Un aspect méconnu de la gravure révolutionnaire : l’oeuvre et les activités de Paul-André BASSET, éditeur et marchand d’estampes parisien (voor zijn andere publicaties zie : http://carleton.ca/arthistory/people/roy-stephane). Maar zoals we al vermeldden, beperkte Basset zijn activiteiten niet tot de Franse Revolutie : hij was ook betrokken bij de anti-statistische propaganda tijdens de Brabantse Revolutie. 

b. Johann Hieronymus LÖSCHENKOHL te Wenen

Zoals in andere Europese landen werd in de 18de eeuw het nieuws in Oostenrijk op de eerste plaats gebracht door tijdschriften, waaronder het nu nog bestaande dagblad Wiener Zeitung, dat in 1703 gesticht werd onder de naam Wiennerisches Diarium ; het kreeg in 1780 zijn huidige naam. Dit tijdschrift verscheen toen tweemaal per week en sedert 1813 dagelijks. Maar in de 18de eeuw waren ook prenten een belangrijke nieuwsbron. De voornaamste Weense graveur en gravurenuitgever was Hieronymus LÖSCHENKOHL (1753-1807). In februari 1781 schafte Keizer Jozef II de censuur af, maar al vlug moest hij deze vrijheid beperken wegens de kritiek tegen zijn plannen die nu verscheen in wat men genoemd heeft de “Broschürenflut” ; de persvrijheid zou helemaal verdwijnen tijdens het bewind van zijn opvolger en broer Keizer Leopold II, ook omdat men schrik had dat het gedachtengoed van de Franse Revolutie zou verspreid worden in Oostenrijk.

LÖSCHENKOHL leidde een werkelijk bedrijf, waar tot 230 man werkte; sommige prenten hadden een oplage van wel 7.000 exemplaren. Gelet op hun prijs, waren ze bestemd voor de adel en de hogere burgerij. Het Wienmuseum Karlsplatz (tot 2003 het Historisches Museum der Stadt Wien) bezit 628 prenten van LÖSCHENKOHL, die men online kan raadplegen (Wienmuseum. Sammlung online). Als men

 

deze collectie onderzoekt, bemerkt men dat LÖSCHENKOHL in 1787 handelt over het Kongres van Ems en de ontmoeting van de Keizer met Catharina van Rusland; in 1788-1789 zijn er talrijke prenten over de Turkenoorlog, met karikaturale voorstellingen van de Turken en verheerlijking van de krijgskunst van Keizer Jozef II; in 1790 de laatste dagen en het overlijden van Keizer Jozef II (hij stierf op 20 februari 1790, net geen 49 jaren oud) en van Aartshertogin Elisabeth ; de begrafenis van deze beiden ; de inhuldiging van zijn opvolger Leopold in Wenen op 6 april 1790 en zijn kroning tot keizer in Frankfurt op 2 oktober 1790. Dus niets over de Brabantse Revolutie. Was er geen belangstelling voor dit thema of wilde men het niet hebben over dit onderwerp omdat het een negatief beeld zou schetsen van het Oostenrijks bestuur? 

Op 8 januari 1791 plaatste LÖSCHENKOHL een aankondiging in de Wiener Zeitung dat hij een reeks van

12 prenten gemaakt had (Sammlung der Vorstellungen der Niederländischen Unruhen), maar de Oostenrijkse censuur greep in : alle prenten werden uit de handel genomen en de platen werden vernietigd : de behandeling van dit onderwerp strookte niet met het verzoeningsbeleid van Keizer Leopold II. Merkwaardig dat LÖSCHENKOHL, die anders zeer goed de stemming aan het keizerlijk hof aanvoelde, dit niet voorzien heeft. De prenten van LÖSCHENKOHL over de Brabantse Revolutie zijn dus vrij zeldzaam. Ze behandelen naast het thema over het begin van de Revolutie en het einde ervan (met ook een prent over de Slag van Falmagne), vooral de veldpaters-aalmoezeniers, zoals ook BASSET deed in Parijs, maar LOSCHENKÖHL beperkte zich tot de kapucijnen. Deze paters waren in Wenen niet graag gezien, omwille van bijvoorbeeld dat men wist dat ze strenge kloostergevangenissen hadden (hoewel dit verboden was geworden door Keizerin Maria-Theresia) en omdat ze – zoals de andere bedelpaters- aanzien werden als “profiteurs”. Ze waren het slachtoffer geworden van de “Literarische Feldzug gegen die Klöster” (zie E. WANGERMANN, Die Waffen der Publizität : zum Funktionswandel der politischen Literatur unter Joseph II (Wenen en München, 2004)). De kapucijnenkloosters ontsnapten nog aan de eerste reeks kloosterafschaffingen in de Oostenrijkse Erflanden (1781), want toen werden enkel de “onnuttige” kloosters van de beschouwende kloosterorden afgeschaft, maar aan de volgende “Klostersturm” in 1783- 1787 konden ze niet ontsnappen. 

De prenten van LÖSCHENKOHL blijven in Wenen zeer geliefd; het Wien Museum organiseerde zowel in 1959 als in 2009 tentoonstellingen over hem. De rijk-geïllustreerde catalogus van de laatste tentoonstelling (Hieronymus Löschenkohl : Sensationen aus dem alten Wien, onder leiding van Monika SOMMER) behandelt verschillende thema’s waarover LÖSCHENKOHL prenten gemaakt heeft (zoals : Bildreporter der Tagespolitik ; of nog ballonvaarten, en hoeren in Wenen (maar men is vergeten te spreken over de Hurenmesse bij de kapucijnen), maar niet over de Brabantse Revolutie. VAN ROSSEM vermeldt de tentoonstellingscatalogus van 1959, maar men heeft de indruk dat hij deze niet grondig gelezen heeft, want anders zou hij de toeschrijving van enkele prenten aan LÖSCHENKOHL zeker vermeld hebben. 

Als men de prenten van LÖSCHENKOHL wil onderzoeken, kan men op internet de afstudeerscriptie van

Th. HUBMAYER, Hieronymus Löschenkohl im Kontext der Kultur- und Sozialgeschichte des Josephinismus (Wien, 2012) vrij raadplegen (http://othes.univie.ac.at/24165/) en verder de inlichtingen op www.wien-vienna.at/Loeschenkohl.php. 

c. Johann Martin WILL te Augsburg

Verschillende prenten van LÖSCHENKOHL over de Brabantse Revolutie werden blijkbaar opnieuw uitgegeven in Augsburg door WILL. Hij voegde er langere legendes aan toe, in het Duits maar ook in het Frans. Het is niet geweten of beide uitgevers hierover afspraken gemaakt hebben.

Om de bedoelingen van de buitenlandse prentenmakers te kennen, kan men best de interessante beschouwingen over “Politiek en commercie” lezen van Stijn VAN ROSSEM (blz. 81-82) : 

Basset, Löschenkohl en Will zijn geen politieke idealisten, maar rasechte handelaars. Ze weten wat er leeft in de publieke opinie en maken hiervan gebruik om winst te maken. Ze reduceren politieke onderwerpen tot karikaturale verhoudingen en baseren zich hiervoor eerder op populaire vooroordelen dan op feiten.

De buitenlandse prenten zijn dus van gans andere aard dan de binnenlandse; om de beeldvorming van de kapucijn in de Oostenrijkse Nederlanden te begrijpen zijn deze van groot belang, maar dit beeld moet getoetst worden aan het beeld dat van hem geschapen wordt in de pamfletten en romans.

X

X               X

X

De omwentelingen van de jaren 80 van de 18de eeuw waren zeer verschillend van aard. In de

Verenigde Nederlanden streefden de Patriotten naar een bestuurlijke en maatschappelijke reorganisatie (1784-1787). De Luikse Omwenteling van 1787 wil de bestaande orde en het gezag van de prinsbisschop en van de kanunniken van Saint-Lambert en de aristocratie in vraag stellen. Beide omwentelingen werden door de Koning van Pruisen, FREDERIK de Grote, neergeslagen.

In de Oostenrijkse Nederlanden ondersteunde deze Koning aanvankelijk de opstandelingen omdat dit kaderde in zijn beleid t.a.v. Oostenrijk. Deze opstandelingen streefden ernaar ofwel de integrale restauratie van het Ancien Regime te verwezenlijken (Statisten) ofwel een parlementair regime in te voeren (Democraten). Vanaf maart 1790 regeren de Statisten dictatoriaal; veel Democraten vluchten naar Frankrijk. De kapucijnen waren actief betrokken bij het verzet tegen de hervormingen van Keizer JOZEF II; ze waren vooral tegenstanders van het Seminarie Generaal. Ook speelden ze een rol als veldpaters in het leger van deze opstandelingen. Blijkbaar was de openbare opinie hiervan op de hoogte; men vereenzelvigde de kapucijnen met de Statisten van VAN DER NOOT.

In Oostenrijk kon men weinig sympathie opbrengen voor deze opstand tegen het wettelijk gezag en als onderdeel van de conservatieve opstandelingen worden de kapucijnen in spotprenten tegen de

Brabantse Revolutionairen afgebeeld. Aan de opstand komt vlug een einde na de verzoening van Oostenrijk en Pruisen (Reichenbach 27 juli 1790). Keizer LEOPOLD II kan zonder veel moeite de Nederlanden heroveren (september-december 1790). 

De Franse prenten van BASSET spotten met het reactionaire karakter van de Brabantse Omwenteling; hij aanzag de kloosterlingen (dus niet alleen de kapucijnen) als voormannen van deze conservatieve omwenteling. Toen BASSET zijn prenten over de Brabantse Omwenteling publiceerde, was de Revolutie al wel uitgebroken in Parijs (5 mei 1789 bijeenkomst van de Staten Generaal in Versailles), maar koning LODEWIJK XVI was toen nog steeds het wettelijk staatshoofd; de Constituante had wel bijvoorbeeld het feodaal stelsel afgeschaft (5 augustus 1789) en in 1790 worden de kloosters afgeschaft. BASSETs prenten moeten dan ook geplaatst worden in zijn anti-clericaal publicatiebeleid in deze periode. Voor BASSET zijn de kapucijnen waarschijnlijk niet de voornaamste conservatieve opstandelingen van de kloosterorden : alle kloosterorden behoren tot dit conservatief kamp.

Vervolg overgenomen uit:  Overgenomen uit VOX Jaargang 67  Nr. 2  April - Juni   2015


STUDIES OVER KLOOSTERGEVANGENISSEN

De Prent "De lydende Capucien Auxilius van Moorslede in de Kloostergevangenis" (1790)

Door E. PERSOONS en G. VAN REYN

We bereiden een reeks studies voor over de geschiedenis van de kloostergevangenissen en hebben vastgesteld dat de kloostergevangenissen van de Kapucijnen een belangrijke rol hebben gespeeld in de maatregelen die Keizerin Maria Theresia en Keizer Jozef II genomen hebben om ze af te schaffen in de Oostenrijkse Erflanden. Pater Hildebrand heeft in deel 8 van zijn meesterwerk een hoofdstuk gewijd aan "Afgedwaalde broeders". Dit hoofdstuk was de reden waarom één der censoren van de Orde, pater Gerlachus van ’s-Hertogenbosch, weigerde het Nihil obstat te geven ; men heeft daarom de formule aangepast : "sub respectu fidei et morum nihil obstat". Er zijn de laatste jaren talrijke studies over de kloostergevangenissen verschenen, maar men heeft deze belangrijke studie van Pater Hildebrand nergens vermeld; daarom werd dit hoofdstuk in het Engels vertaald en op de website van ons Centrum "Capuchins in the Low Countries" aangeboden.

Autobiografische verhalen over opsluitingen in kloostergevangenissen en afbeeldingen van een kloosterling in de kloostergevangenis zijn uiterst zeldzaam, zodat we het nodig achten de afbeelding van Auxilius van Moorslede in de kloostergevangenis te Gent en zijn commentaar op deze prent mee te delen.

Auxilius heeft zijn memoires gepubliceerd onder de titel Wonderbaer en rugtbaer leven van den ex-pater Auxilius van Moorsleden alias Pieter-Frandis-Dominiq Vervisch. We willen zijn bestraffingen beschrijven en vooral de redenen hiervan volgens deze autobiografie, die een goede schets geeft van zijn leven, al is het natuurlijk soms ook wel eenzijdig. Men moet steeds voor ogen houden dat hij weigert te aanvaarden dat hij zijn oversten krachtens de gelofte van gehoorzaamheid moet gehoorzamen ; zijn slogan is "oportet magis Deo obedire quam capucinis" (het is dan aan hem om uit te maken wat God beveelt).  
DEEL I VAN DE AUTOBIOGRAFIE

BEHELZENDE DE ZELDZAEMSTE AVANTUREN VAN ZYN LEVEN ALS CAPUCIN

Eerste tydstip : myne jonckheyt (1768-1778)

Men beweert dat ick van in het noviciaat niet hebbe gedeugt, maar tot driemaal werd ik met alle voyzen ontfangen (blz. 33) : noviciaat te Leuven van 12 augustus 1768 tot in 1769 ; aldaar geprofest. In het noviciaat wordt men vooral tot blinde gehoorzaamheid gedwongen (blz. 40)

Na zijn professie wordt hij voor zijn seminarie-opleiding (hij noemt dit zijn tweede noviciaat) naar Tervuren gezonden.

Bestraffing : hij moet eten op water en brood omdat hij okkernoten opgegeten heeft van de notenboom, die bestemd waren voor de gardiaan (blz.40) ; overplaatsing in oktober 1769 naar Oostende, daar heeft hij volgens zijn zeggen geen problemen gehad omdat daar een goede gardiaan was. Lagere wijdingen op 9 en 10 maart 1770 ; diaken op 23 februari 1771.

Overplaatsing naar Gent op 25 mei 1771 voor zijn studies : 2 jaar filosofie en 5 jaar theologie onder de leiding van Godefridus van Aalst. Verdedigt er (gedrukte) theologische theses (1775 en 1776). Priesterwijding in 1773. Hieronder volgen de titelbladen van de twee theses die hij samen met medebroeders verdedigde.

 
Berisping door de provinciaal onder meer wegens het bemoeien met zaken van derden, het ontvangen van veel brieven, ongeoorloofde conversatie en correspondentie met leken.

Bemoeit zich met de juridische situatie van de lekebroeders ; deze dreigen hem te vermoorden. Ze noemen hem "Pater rector der Jesuiten"(blz. 48-49). Voor zijn ongevraagde tussenkomst wordt hij door de provinciaal gestraft met een discipline (geseling) (blz. 49).

Klaagt bij de provinciaal dat Godefridus in zijn lessen te weinig aandacht besteed aan "de morale theologie". Godefridus "wreekt zich" door Auxilius op het eindexamen in 1778 niet de graad te geven van lector, maar "enkel" van predikant en biechtvader (blz. 50-52) ; hij mag dus geen lesgeven.

Tweede tydstip : myne predicaties in vijf bisdommen (1778-13 februari 1784) (blz.53-122)

Jurisdictie voor drie jaar in het bisdom Brugge. Predicatie en biechthoren in Oostende. Komt er in botsing met de Oratorianen en met de Deken. Suspensie door de Brugse bisschop (21 juli 1779)

Jurisdictie bisdom Gent, 9 juni 1779, 9 mei 1781 ; jurisdictie aartsbisdom Mechelen, 14 oktober 1779.

Overplaatsing door Orde naar het klooster te Gent ; volgens zijn eigen zeggen wordt hij met allerlei pastorale diensten in het bisdom Gent belast. Hij is ook deservitor te Noordschote (bisdom Ieper) waar hij zijn zieke broer vervangt en daarom zou hij hiervoor geen jurisdictie nodig hebben. In Gent is hij o.a. gedurende drie jaar coadjutor in het Rasphuys . Ruzie met het kapittel van Sint-Salvator te Gent over de vastenpreken. Om gelijk te krijgen doet hij beroep op het burgerlijk bestuur (raad fiscaal), die bepaalt dat hij mag preken in Sint-Salvator. De Fiscaal vraagt hem zich stil te houden en zijn tijd te besteden aan de studies. Hij belooft Auxilius dat hij over zijn zaak zal spreken met de gardiaan, Godefridus van Aalst. (blz. 80-81). Beroep doen op de burgerlijke macht is een zware overtreding . Auxilius vraagt ook aan de Fiscaal dat de "Vlaamse" kloosters in de Oostenrijk-Nederlandse Congregatie een grotere autonomie zouden krijgen omdat volgens hem de "Brabantse" kloosters te veel macht hebben (blz. 82-85). Orde straft hem met een buitengewone discipline in de refter (blz. 84), maar hij weigert deze te doen, omdat hij niet weet waarvoor hij gestraft wordt. Provinciaal verdubbelt de straf, hij wordt geschrapt uit de lijst van de predikanten en het bestuur dreigt met gevangenisstraf. De Fiscaal tekent verzet aan tegen deze straf. Auxilius wordt blijvend geschorst voor het preken. Overplaatsing naar Dendermonde, waar hij geen toelating krijgt om te preken of biecht te horen (blz. 80-81). Overplaatsing door de Orde naar Kortrijk (1783) in het bisdom Doornik ; hij heeft daar geen jurisdictie en mag dus alleen maar "choor-ezel" zijn. Wegens ongeoorloofde afwezigheid (hij wil missionaris worden en gaat daarom zonder toelating geld bedelen in Moorslede en omgeving). Twee overtredingen : ongeoorloofde afwezigheid en aanvaarden van geld. Overplaatsing naar Brugge (blz. 94), waar hij talrijke penitenties krijgt, die hij niet specifieert (blz. 95-96). Krijgt "lichte" gevangenisstraf : "convent voor arrest", mag met niemand spreken (einde oktober 1783 – 13 februari 1784) (blz. 96-97). Zegt toelating te hebben van het generaal bestuur van de Orde en van de Propaganda om naar de missies te mogen vertrekken, maar kan of wil deze toelatingen niet tonen. Het standpunt van de Orde kennen we niet altijd, maar nu en dan geeft Auxilius letterlijk brieven weer van het provinciaal bestuur. Zo is op blz. 303-309 de brief van Godefridus van Aalst van 12 november 1783 afgedrukt. Godefridus zegt dat hij in de brief die Auxilius hem geschreven heeft geen elementen kan vinden om zijn straf te verminderen. Auxilius heeft de bepalingen van het Concilie van Trente overtreden in verband met de bestraffing van apostaten (personen die zonder geschreven toelating van hun overste het klooster verlaten). Deze overtreding wordt in de Constituties van de Orde aanzien als de zwaarste overtreding en hij is dus dan ook hiervoor streng gestraft. Hij beschuldigt Auxilius ook de feiten te verdraaien en leugens te vertellen aan zijn overste over zijn ziekte. Ondanks zijn ziekte zou hij in staat geweest zijn allerlei dorpen te bezoeken, zeggende dat hij een onbeperkte toelating had om rond te reizen om geld in te zamelen voor zijn vertrek naar de missie. De straf die hij gekregen had, de excommunicatie, hield in dat hij geen missen mocht opdragen, wat Auxilius toch gedaan heeft. Hij raadt hem aan nederig en gehoorzaam te zijn en in deze gesteldheid aan de visitator generaal Willem van Duisburg vergiffenis te vragen en strafvermindering. Commentaar van Auxilius hierop : "Hy beveelde my te schryven om gratie … om te belyden iet, dat ik noyt had gedaen …2° Als gy belydenisse doet by de Cappen van Schuldt, die gy noyt hebt gedaen, dan krygt gy maer halve penitentie, maer als gy geen belydenisse doet, dan krygt gy de volle kerke-rechten, dat is alle straffen en penen". Zijn "cipier" te Brugge (een lekebroeder) bezorgt hem schrijfgerief, zodat hij beroep kan doen op bisschop Brenart (blz. 102). Zijn beroep wordt behandeld op het bisschoppelijk proces , voor officiaal Franciscus de Gryse op 21 januari 1784 (blz.108-112) ; dit proces werd gevoerd omdat Auxilius krachtens "de Keyzerlyke en koninglyke placcaerden" beroep had gedaan bij de bisschoppelijke rechtbank (in rechte is de Orde exempt en zo’n beroep is ten zeerste verboden). De Bisschop velt op 5 februari 1784 volgend vonnis "Auxilius… zonder bezwaernisse van zyne Overste tot ons heeft geappeleert ; reden waerom wy hem tot de schuldige gehoorzaemheyd en behoorlyke onderwerpingen aen zyne respective overste wederom zenden " (blz. 112).

Godefridus, vice-visitator (provinciaal) komt hem ’s anderdaags bezoeken en veroordeelt hem tot een strengere gevangenisstraf : deze was oorspronkelijk niet streng, de cipier Gedeon van Kalken laat de deur openstaan, komt regelmatig met hem spreken en een glas wijn met hem drinken (blz. 116-117) ; Gedeon wordt vervangen door lekebroeder Joris van Oostakker, men mag niet meer komen spreken met Auxilius. Hij vlucht op 13 februari 1784 uit de kloostergevangenis en slaagt erin de stad te verlaten (blz. 117-122).

Derde tydstip : Recours tot den Prince (februari 1784-juli 1985) (blz. 123-262)

Vlucht naar Gent en verblijft er in de stad (onder andere bij de Alexianen) en in de omgeving.

27 februari 1784 : verzoek aan het landsbestuur te Brussel (raadsheer de Gryspeere) om de Orde te verplichten om hem als missionaris te laten vertrekken. De Orde organiseert intussen klopjachten met lekebroeders (blz. 132). De Keizer belast Aartspriester De Vylder om de zaak te onderzoeken. Volgens Auxilius bepaalt deze dat de Orde hem de toelating moet geven om als missionaris te vertrekken, mits hij 1° terugkeert naar het klooster, waaruit hij gevlucht was ; 2°hij een exercitie van tien dagen doet afgezonderd van de kloostergemeenschap ; 3°met koord aan de hals vergiffenis vraagt over het schandaal dat hij heeft gegeven (blz. 148-149). Auxilius aanvaardt de drie voorwaarden, met uitzondering van de derde voorwaarde omdat hij geen dief is (en ook geen Gentenaar). De Orde moet hem in alle eer, liefde en min ontvangen en hem behandelen zoals de andere kloosterlingen. Hij keert terug naar het klooster te Brugge, waar hij opgesloten wordt op 2 mei 1784 in de kloostergevangenis op water en brood (het kot) (blz. 152-153) ; de Orde houdt zich volgens Auxilius niet aan de afspraak met De Vylder ; ze oordeelt dat de Aartspriester niet bevoegd is om in deze zaak op te treden ; Auxilius mag niet naar de missies vertrekken omdat men van oordeel dat hij "onweirdig tot dat heylig ambt" is (blz. 156). Het provinciaal vraagt daarop in Rome richtlijnen, 9 juli 1784 (document ACB, I 6159 uit het archief). De Provincie besluit hem te laten vertrekken naar de Rijselse provincie, zodat hij in Azië missionaris van deze provincie kan worden (blz. 173), maar de Aartspriester verzet zich hiertegen omdat hij denkt dat het de bedoeling is om Auxilius buiten de grenzen van de Oostenrijkse Nederlanden op te sluiten in een kapucijnergevangenis. Op 27 november 1784 wordt hij onder zware begeleiding van medebroeders over Gent, Oudenaarde en Kortrijk naar Menen gebracht, waar hij tot juni 1785 zal verblijven. In Menen organiseert Auxilius op 27 november 1784 een groot feest om zijn vertrek naar de missie te vieren; dit wordt natuurlijk gemeld aan het Bestuur van de Orde. Op 12 december 1784 veroordeelt de visitator generaal van de Nederlandse Kapucijnen, Willem van Duisburg, hem wegens dit schandalig leven : Auxilius wordt "gesuspendeert, geinterdiceert en geexcommuniceert" (tekst blz. 179-180) ; de Aartspriester de Vylder gaat hiertegen in beroep bij de Keizer op 21 januari 1785 (tekst blz. 190-194). De zaak wordt onderzocht en in afspraak met Lobkowitz, bisschop van Gent, wordt beslist Auxilius tot onderpastoor te benoemen in Wetteren als geseculariseerd wereldlijk priester (blz. 195-197). Uiteindelijk vraagt de bisschop de Orde hem aan te stellen tot onderpastoor te Zeveren (Deinze) (blz. 202-205), maar de Orde weigert dit omdat ze oordeelt dat ze exempt is en dus geen bevelen heeft te krijgen van de wereldlijke en van de bisschoppelijke macht (blz. 205). De bisschop gaat in beroep bij de procureur-generaal. Volgens Auxilius zou de Orde zich uiteindelijk akkoord verklaard hebben met zijn secularisatie (blz. 258-259) ; in zijn ogen werd hij hierdoor een wereldlijk priester, maar de Orde oordeelt dat hij Kapucijn is gebleven en dat hij zonder toelating van de oversten de Orde heeft verlaten ; dat hij dus een apostaat is (blz. 236-259).

DEEL II

ZELDZAEMSTE GEVALLEN ALS WERELDLYKEN PRIESTER

Eerste tydstip Onderpastoor te Zeveren (17 juli 1785-11 november 1786)

Tweede tydstip Kapelaan tot Gent (11 november 1786-25 april 1789)

Derde tydstip Deservitor tot Calloo (25 april 1789-juli 1789)

Auxilius vervult in deze periode allerlei pastorale functies ; hij had gehoopt dat de Gentse bisschop hem werkelijk tot onderpastoor zou benoemen, maar dit gebeurt niet. Aanvankelijk mag hij wel mis lezen in het bisdom Gent, maar niet preken en biechthoren. Tracht een stipendium uit de bisschoppelijke kas te krijgen als behoeftig priester, maar dit stipendium wordt niet volledig uitbetaald. De Kapucijnen maken blijkbaar geen jacht meer op hem : de Orde heeft in deze periode teveel problemen met de Keizer wegens het halsstarrig verzet tegen het Seminarie Generaal. Dit leidt tot afzetting van Wilhelmus van Duisburg als visitator en zijn overplaatsing naar Tervuren (12 maart 1787); verbanning van de provinciaal Godefridus van Aalst uit de Nederlanden op 30 maart 1787; hij gaat in Sint-Truiden in het Prinsbisdom Luik wonen. Jozef II dreigt alle Kapucijnenkloosters te sluiten. Op verzoek van de Staten van Brabant mogen de twee ballingen op 10 mei terugkomen. Maar de Kapucijnen zetten hun verzet tegen het Seminarie Generaal verder en weigeren hun studenten er naar toe te sturen. Op 5 maart 1789 werd Wilhelmus opnieuw verbannen; hij vertrok naar Sint-Truiden. Uiteindelijk moet de regering op 20 november 1789 het Seminarie Generaal sluiten; maar in oktober was toen al de Brabantse Revolutie begonnen; Wilhelmus kwam op 21 terug naar de Nederlanden.

DEEL III VAN DE AUTOBIOGRAFIE

BEHELZENDE DE ZELDZAEMSTE AVANTUREN VAN ZYN LEVEN ALS KRYGS-PASTOR, VELD-PAEPE OFTE AUMONIER

Eerste tydstip Myn pastorie in Liefkenshoek (3 juli 1789 – 28 oktober 1789) (blz.1-108)

AFBEELDING van FORT LIEFKENSHOEK (atlas Van Loon)

Na de" roemrijke" Keteloorlog bekwam Keizer Jozef II door het Verdrag van Fontainebleau (1785) dat de forten Liefkenshoek en Calloo eigendom zouden worden van de Oostenrijkse Nederlanden. Dit hield onder meer in dat de protestantse tempel in Liefkenshoek een katholieke kerk zou worden en, op verzoek van inwoners van Liefkenshoek, werd Auxilius deservitor van deze kerk. Om zijn kerk in te richten tracht hij hiervoor allerlei voorwerpen te kopen van de afgeschafte abdij van ’t Park te Heverlee. Op 18 oktober 1789 verbiedt de Gentse bisschop hem om nog mis te lezen.

Tweede tydstip Pastor, gouverneur en commandant (28 oktober 1789- 14 december 1789) (blz. 109-220)

Verdedigt het Fort tegen de Patriotten ; de Regering benoemt hem op 4 november 1789 tot aalmoezenier van het Kasteel van Antwerpen. De Staten van Vlaanderen zetten een som van 100 patacoons op zijn hoofd op 29 november 1789 (blz.199-201).

Derde tydstip Myn avanturen als krygs-gevangene (14 december 1789-19 december 1790) (blz. 221-363)

In Antwerpen wordt hij herkend door een legeraalmoezenier van de Patriotten Norbertus van Kortrijk en gevangen genomen. Norbertus zal in 1799 in Gent door de Franse bezetters aangehouden worden en opgesloten in het Rasphuis… Men besluit Auxilius over te brengen naar Gent om hem op te sluiten in de Stadsgevangenis (de "Mammelokker"; zie afbeelding hiernaast). In deze gevangenis zitten veel gevangenen opgesloten, vooral Keizersgezinden en het leven is er zeer hard (blz. 244-246). Op 27 januari 1791 wordt beslist dat hij voor de Officiaal van het bisdom Gent zal moeten verschijnen ; hij wordt overgebracht naar de gevangenis van het bisdom. Het Geestelijk Hof ondervraagt hem tijdens drie zittingen (6 februari 1790, 27 februari 1790 en 30 maart 1790). Geen veroordeling. Auxilius verklaart zich akkoord op aanraden van de Officiaal om te vragen terug te mogen komen naar de Orde, waar men dan moet oordelen of hij wettelijk uit de Orde was gegaan (blz. 289). Hij schrijft een brief aan Godefridus om te vragen terug als lid van de Orde ontvangen te worden (29 april 1790) ; later zal hij zeggen dat deze aanvraag onder dwang gebeurde en dus ongeldig was. Overgebracht naar het Gentse Kapucijnenklooster op 11 mei 1790 ; hij wordt er over zijn intenties ondervraagd door de gardiaan Seraphinus van Oostende ; op 12 mei geseling in de refter en daarna opsluiting in de "custodie". Op 16 juni 1790 begint dan zijn canoniek proces onder de leiding van Seraphinus, gardiaan, maar ook provinciale definitor. Dit proces gebeurde dus namens het provinciaal bestuur ; er waren vier zittingen, op 16, 17, 22 en 24 juni en het vonnis werd uitgesproken op 12 juli 1790 (blz. 323-326). Hij wordt veroordeeld om nog vijf jaar in de boven-custodie opgesloten te blijven, hij verliest voor vier jaren zijn stemrecht ; hij moet gedurende drie jaren de caproen dragen ; alle dagen behalve ’s zondags de derde portie derven ; ’s vrijdags maar één maaltijd te mogen hebben ; geen recht te hebben op de namiddag-drank en zonder toelating van de provinciaal en twee definitoren niet tot de H. Sacramenten te mogen gaan. Belangrijk is dat men aan het vonnis toevoegt dat als hij berouw toont "dat wy ons reserveren van in het riguer onze constitutien te dispenseren", m.a.w. zijn straf kan verlicht of kwijtgescholden worden.

 

Blijkbaar wordt ernaar gestreefd om zijn gevangenisleven niet te streng te maken. Hij blijft, in het geheim, ook contacten hebben met de buitenwereld. Zo verneemt hij dat de Keizerlijke troepen op 22 september 1790 de Patriotten verslagen hebben te Falmagne en dat daar ook twee Kapucijnen gedood werden. Om zijn vreugde te uiten maakt Auxilius een Latijns en Nederlands "jaer-schrift" ter ere van Keizer Leopold II (blz.330), dat in de handen van Seraphinus terechtkomt. Deze was zonder twijfel een van de vurigste aanhangers in de Orde van de Patriotten. Hij verwittigt dadelijk het provinciaal bestuur van deze "landverradry", dat hem op 4 oktober 1790 veroordeelt tot het strengste gevangenissysteem : hij wordt opgesloten in de onderaardse gevangenis, het hellekot. Hij slaagt er echter in op Allerheiligen ’s avonds door de riolering te ontsnappen en vlucht naar Rotterdam, Utrecht en Duitsland. Hij komt op 13 december 1790 aan in Brussel en wil zijn functie in het Fort Liefkenshoek terug opnemen, waar hij op 19 december 1790 terug aankomt.

 

FLORIBERTUS van Halsteren, Beknoopte beschryvinge van het vermaart fort Liefkenshoek (ACB, III 6269, blz. 294), handelend over "Auxilius van Moerslede" en zijn laatste verblijf in het Fort Liefkenshoek.

 

Men vindt in Auxilius’ autobiografie nog enkele aanduidingen over zijn leven in 1791. Volgens Hildebrand werken Godefridus van Aalst en de Gentse bisschop Lobkowitz samen om Auxilius te doen afzetten als aalmoezenier van Fort Liefkenshoek. Tevergeefs poogde Auxilius na de dood van MacMahon pastoor van het Kasteel van Antwerpen te worden; op 21 januari 1791 ontneemt de militaire hoofdaalmoezenier Reynders hem alle jurisdictie ; hij is dus gedwongen Fort Liefkenshoek te verlaten, wat hij doet op 20 maart 1791. Hij vestigt zich in Brussel, waar hij waarschijnlijk dienst deed in de Kapellekerk, wat hem op 24 juni 1791 verboden werd door Kardinaal de Frankenberg. Hij werkt dan in Brussel of in Brugge verder aan zijn autobiografie, die in Brugge gedrukt wordt door Fr. Van Hee in de maanden november en december. De publicatie veroorzaakte veel schandaal; de Kardinaal wil hem laten veroordelen, maar Auxilius vlucht met zijn zuster naar Frankrijk, waar men op zoek was naar constitutionele priesters (Franse Revolutie). Hij wordt op 22 april 1792 constitutioneel priester in Hazebroek en zijn zuster schoolbestuurster. Hij komt er in aanvaring met talrijke inwoners, ook geestelijken. Toch verkiest men hem op 8 november 1792 tot notabele en in januari 1793 tot voorzitter van de Société populaire. Een ander constitutioneel pastoor de Schodt klaagt hem tot tweemaal toe aan - in september en oktober 1793 - als landverrader omdat Auxilius een aanhanger is van de Keizer, zoals blijkt uit zijn geschriften. Frankrijk was toen in oorlog met de Keizer. Auxilius en zijn zuster worden gevangengenomen en opgesloten in de gevangenis in Parijs. Ze worden op 29 november 1793 ter dood veroordeeld en sterven nog dezelfde dag , als eerste "Belgen" onder de guillotine.

Auxilius was zeker een verstandig man : zijn Quaestiones scripturisticae kenden tussen 1788 en 1837 zeker acht uitgaven.

Hij was een "mooiprater" : veel mensen kon hij, maar dikwijls maar voor korte tijd, charmeren. Ook was hij, wat men genoemd heeft, "een notoir dwarsdrijver" (W. Giraldo) en betweter. Zijn autobiografie is niet altijd betrouwbaar omdat hij leugens vertelt en zekere zaken "vergeet" te zeggen. Tot zover de menselijke kant van onze ex-kapucijn, maar wat voor een kapucijn was hij eigenlijk? Het antwoord is eenvoudig : een slechte kloosterling, die niet wilde leven volgens de Regel en de Constituties. De gelofte van gehoorzaamheid gold niet voor hem, want hij wist het beter. Natuurlijk was hij beïnvloed door de tijdsgeest en het Jozefisme : hij was overtuigd dat Keizerin Maria Theresia en Keizer Jozef II een reeks maatregelen hadden genomen om aan de kloosterlingen een grotere onafhankelijkheid tegenover hun oversten te geven; dat ze de kloostergevangenissen hadden afgeschaft (dat was het geval in de Oostenrijkse Erflanden maar niet in de Oostenrijkse Nederlanden), dat de kloosters voortaan afhingen van de bisschoppen en dat dus de kloosterlingen bij de bisschoppen en bij de burgerlijke overheden in beroep mochten gaan, enz. Men moet natuurlijk een volslagen dwaas zijn om na de veldslag van Falmagne, toen twee kapucijnen stierven en de Statisten verloren, een huldegedicht te maken voor de overwinnaar Keizer Leopold II of om in Frankrijk toen het in oorlog was met Oostenrijk, lof te spreken over de Keizer van dit land en geld te ontvangen van de regering in Brussel : dan wordt men zeker aanzien als spion.

Hoe moet men het optreden van zijn Oversten tegen hem beoordelen ? Men kan zeggen dat deze Oversten aanvankelijk gunstig tegenover hem stonden : hij mocht studies doen en tijdens deze studies theses verdedigen. Maar al vlug blijkt dat hij opstandig is, en daarom oordeelt men dat hij niet geschikt is om lector te worden en jongeren op te leiden. Men besluit hem in te zetten in het apostolaat, als predikant en als biechtvader. Zijn medebroeders kiezen hem als discreet en op het provinciaal kapittel krijgt hij een kleine opdracht : hij wordt benoemd tot scrutator. Al snel blijkt dat hij niet geschikt is als predikant, want hij krijgt met iedereen ruzie. Daarom verplaatst men hem naar kloosters waar hij niet mag preken, omdat hij daar geen jurisdictie heeft.

Uit de autobiografie leren we veel over de bestraffingen van overtredingen in de Kapucijnerorde. We zullen in een volgend artikel uitvoerig hierop terugkomen. Maar we willen het hier toch reeds even hebben over het gevangenissysteem bij de Vlaamse kapucijnen. Hij verbleef driemaal in de kloostergevangenis :

- In Brugge van eind oktober 1783 tot 13 februari 1784 : eerst krijgt hij het "convent voor arrest" : hij mag het klooster niet verlaten en met niemand spreken ; daarna wordt hij veroordeeld tot "de kerker" : een kamer nabij de ziekenkamer op de eerste verdieping van het kloostergebouw ; in de buurt van het dormitorium

- In Brugge van 2 mei 1784 tot 27 november 1784 : blijkbaar in deze laatste ruimte

- In Gent van 11 mei 1790 tot 13 oktober 1790 : eerst in een kamer op de eerste verdieping (boven-custodie) ; daarna in "het hellekot" : een onderaardse gevangenis. Auxilius deelt mee (dat hij gezien heeft hoe in deze gevangenis een zinneloze pater opgesloten was in 1774 (3, blz. 328). Het generaal kapittel van 1747 voerde een zachtere soort gevangenissen in in de Orde, maar in Gent en misschien ook elders in de Vlaamse Provincie bleven, zoals in andere provincies, de oude onderaardse gevangenissen in gebruik.

Om te kunnen ontsnappen uit de Gentse kloostergevangenis gebruikte Auxilius "een Engelsch pennemes", zoals afgebeeld op de prent van onze "Lydende Capucin".

In het Frans heet een bepaald soort pennenmes "Le Capucin". Op internet kan men allerlei nonsens over deze benaming vinden, zoals "Il porte son nom du fait qu’il a longtemps été le couteau des moines capucins, qui l’utilisaient surtout pour couper les pages de parchemin pour le travail de copiste" (couteaux.clicforum.com). De benaming vindt zijn oorsprong in de vorm van het heft, dat doet denken aan een kapucijn, wiens hoofd is bedekt door zijn kapucijnkap.

Een pennenmes "Le Capucin" en een kunstzinniger exemplaar, verwijzend naar de oorsprong van de naam.

 
Auxilius vermeldt ook enkele kloosterlingen van andere kloosterorden, die in zijn tijd in de kloostergevangenis hebben gezeten.

De eerste is Albertus Enkels van Veurne van de abdij van Lo, die driemaal uit deze abdij vluchtte en daarom door de abdij geplaatst werd in het "hellekot" (aziel) van de Frères de Saint-Charles Borromée in Froidmont (nu deelgemeente van Doornik, bijnaam "le village des sots"). Maar hij vlucht daar ook en gaat in Holland wonen. Hij (of zijn familie) vragen aan Auxilius om te bemiddelen dat hij terug zou mogen komen om geplaatst te worden bij de Alexianen te Gent, maar de abdij is hiermee niet akkoord. Was deze oplossing te duur voor de abdij of vond men dat ze al genoeg betaald hadden ,nl. aan het aziel te Froidmont ? Auxilius doet dan beroep op het burgerlijk gezag en de gevolmachtigde minister Georg Adam van Starhemberg beveelt in februari 1780 dat Enkels moet overgebracht worden naar de Gentse "Snelle-broeders" (Alexianen) (zie Auxilius, Wonderbaer, 1, blz. 311-314).

Auxilius huurt einde 1787 - begin 1788 een kamer bij de Gentse kunstschilder Philippe Lambert Joseph Spruyt, met wie hij discuteert over het leven van de kloosterlingen in de abdij, want Spruyts broer is kanunnik in Dielegem en wordt er mishandeld door de abt. Maar Auxilius zegt "dater er geen despotiker regeering was onder alle kloosters, dan die der seraphyner voornamelyk der recolletten en Capucinen". Auxilius toont hem een boek waarin verhaald wordt hoe Pater Bodet van Oostende "voor enkele monachalia, Bacchi et Veneris crimina" in de kloostergevangenis belandde, waaruit hij na 20 jaar gevangenis ontslagen werd op bevel van Jozef II. Kort daarop is hij in Ieper gestorven (Auxilius, Wonderbaer, 2, blz. 123-124). Auxilius’ hulp wordt ingeroepen door Juffrouw Juncquet van Brussel, die gehuwd is met de "beeld-snyder" Linguet en door haar nicht Wed. Somers, de moeder van de Gentse drukker van Axilius, Le Maire. Ze willen Pater Antonius Juncquet, die sedert twee jaren in de kloostergevangenis te Eeklo zit, helpen. De provinciaal Minne zou hem daarin opgesloten hebben zonder de voorgeschreven procedure (summier proces) te hebben gevolgd. De pater wordt ervan beschuldigd dat hij "een jong paterkern zoud gewonnen hebben by een zijn’er quezelkens of biechtkinderen" toen hij in het klooster te Brugge verbleef. De familie denkt dat hij overleden is, maar een werkman die werken aan de kloostermuur doet, hoort hem zuchten "in zijn kot" en verwittigt de familie. De nicht probeert tevergeefs toelating te krijgen om hem in Eeklo te mogen bezoeken. Auxilius zegt dat hij van de visitator generalis van de Orde Blaedels gedaan zou gekregen hebben dat Antonius vrijgelaten wordt en hij verwijst hiervoor naar het Livre blanc (Auxilius, Wonderbaer, 2, blz. 124-129). Is dit verhaal waar? De personen die vermeld worden hebben allemaal geleefd, maar niemand heeft tot nog toe in de archieven van de minderbroeders (nu in het Kadoc) onderzocht wat er juist gebeurd is. De jaren 1782-1790 zijn ook voor de minderbroeders in de Nederlanden met de splitsing van de Provincie Germania Inferior. Bij hen blijven eigenlijk (en erkend door de Overheid) twee provincies bestaan : De Pars Brabantica en de Pars Mosecana , hun geschiedenis is behandeld door Pater Bert de Boer, De scheiding der Germania Inferior sedert 1782 (in Bijdragen Geschiedenis der Provincie der Minderbroeders in de Nederlanden, delen XI (1959) tot XIII (1962), maar dit is slechts het eerste deel van zijn studie : het tweede deel is nooit verschenen omdat hij wilde wachten tot Pater Polman het tweede deel van zijn Romeinse bescheiden voor de geschiedenis der Rooms-katholieke kerk in Nederland, II : 1754-1796 zou hebben uitgegeven (dit deel verscheen in 1963). Pater Juncquet wordt niet vermeld in het artikel van de Boer en de boeken van Polman.

Zoals Auxilius meedeelt, vindt men Juncquet vermeld in het Livre Blanc en wel in het "Premier supplement au Livre blanc". Het eigenlijke Livre blanc ou révolution gordune werd uitgegeven door de Vonckisten in Rijsel in 1790. Het handelt vooral over de uitingen van de machtsmisbruiken van de Statisten in Gent en omgeving. Herhaaldelijk wordt er gehandeld over de achterlijke preken van de kapucijnen. Er is ook een hoofdstuk gewijd aan Auxilius (Le capucin ab Auxiliis), p. 166 (zie afbeelding hiernaast).

In het "Premier supplement" vindt men de personen vermeld die door de Statisten in de Gentse gevangenissen waren opgesloten (volgens de auteur wederrechtelijk). Hoofdstuk III handelt over Des hautes oeuvres du Grand Comité de Flandre établi chez les Gorduns, bijvoorbeeld over het gebruik van de Lettres de Cachet.

Hoofdstuk IV heeft tot titel "Autres lettres de cachets et decrèts aussi barbares qu’extravangans de leurs Majestés républicaines. § I. Trois decrèts, où nos roitelts bannissent de leurs république à perpetuité des gens qui leur sembloient suspects". Het derde decreet van de Staten van Vlaanderen dateert van 9 juni 1790. Ze bevelen de gardiaan van de Gentse recollecten om twee lekebroeders aan te duiden om dadelijk Pater Antonius Juncquet naar

het klooster te Bolland in het Land van Herve te brengen . Hij mag zich nooit meer tonen in Vlaanderen. Zie Livre… Supplement, blz. 128-129. Volgens de voetnoot bij de uitgave van deze tekst logeerde de Pater bij de boekhandelaar Le Maire en de Statisten verdachten hem van het verspreiden van keizersgezinde pamfletten. Zou het kunnen zijn dat Juncquet inderdaad door toedoen van de burgerlijke macht ontslagen is geweest uit de kloostergevangenis van Eeklo en dat hij dan bij Le Maire is gaan wonen? Is hij keizersgezind geworden uit dankbaarheid voor zijn bevrijding? Het is bekend dat de Recollecten (zoals de Kapucijnen) streng waren voor hun overtreders, hierover handelen talrijke teksten zoals het anonieme werk "Criminalprocess der Franciscaner" (1769) (zie afbeelding hiernaast), dat in 2013 werd heruitgegeven door Professor Ulrich L. Lehner.

 

 

Kloostergevangenissen werden dikwijls gebruikt als lokaal om geesteszieken te plaatsen ; dit was gemakkelijker en goedkoper dan ze naar bijvoorbeeld de Alexianen te brengen. Ook zorgde deze oplossing ervoor dat de buitenwereld niet op de hoogte was van het bestaan van deze mensen. Auxilius zegt dat hij "het kot van de helle, voor het welke ik altijd had gevreesd, hetgene ik in’t jaer 1774 eens by geval had beschauwt volgende eenen Broeder die een dullen pater diende, die in het zelve, dulzot zijnde, is gestorven" (Auxilius, Wonderbaer, 3, blz. 328). Er bestaat voor de Oostenrijkse Erflanden een verslag over de kloostergevangenissen, opgemaakt in opdracht van Keizer Jozef II. Hierin vindt men voor de meeste Orden aangegeven dat de kloostergevangenissen vooral gebruikt werden om geesteskranken op te sluiten. In een volgend artikel zullen we zien welke maatregelen de Keizer

 

vervolg

Overgenomen uit VOX minorum jg. 67, nr. 3, juni-september 2015