Splitsing van de provincie

 Startpagina Vorige

 4 november 1616: Splitsing van de Nederduitse provincie in een Vlaamse en Waalse provincie

Sinds 1585 was de bloei en groei van de jonge kapucijnenstichting voortdurend vooruitgegaan. In 1616 waren er al 38 kloosters en een 680 kapucijnen in de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Al in 1599 opperde men het idee om de provincie te splitsen volgens de taalgroepen omdat het aantal religieuzen en kloosters te groot werden voor een goede reguliere observantie maar ook omdat de twee talen totaal verschillend waren. 

Pas in 1616 kon het plan uitgevoerd worden. Honoré van Parijs, definitor van de Parijse provincie, werd door Rome belast met de praktische uitvoering en moest een aanvaardbaar voorstel formuleren. 

Op het provinciaal kapittel van november 1616 maakte hij zijn voorstel bekend. De Nederduitse provincie zou in twee verdeeld worden: te weten deze die Vlaanderen genoemd en deze die Wallonië genoemd wordt. De grenzen werden vastgelegd, niet volgens eventuele bergketenen of waterlopen, niet volgens burgerlijke of geestelijke rechtsgebieden, maar enkel en alleen volgens het taalgebruik ter plaatse. Daarom werden de kloosters van Sint-Truiden en Hasselt, hoewel gelegen in het prinsbisdom Luik, bij de Vlaamse provincie ingedeeld. Er werd echter één uitzondering gemaakt, namelijk voor het klooster van Edingen “quamvis potissima pars populi Angiensis utatur communiter idiomate flandrico” (hoewel het grootste deel van de mensen van Edingen gewoonlijk het Vlaams gebruiken). Dat in aanbouw zijnde klooster zou tot de Waalse provincie behoren “aliquibus ex causis” (om bepaalde redenen). Deze redenen werden door Honoré van Parijs niet vermeld maar alle kapitularissen wisten zeer goed dat Anne van Croy, hertogin van Aarschot en prinselijke gravin van Arenberg, stichteres van het klooster, absoluut wilde dat “haar” klooster niet in handen van de Vlamingen zou komen. Haar antipathie tegenover de Vlaamse oversten van de kapucijnen was genoegzaam bekend. Immers, op 3 maart 1616 was haar zoon, Antoine van Arenberg, tegen haar wil en zonder haar zegen in het noviciaat van de kapucijnen te Gent ingetreden. Zij eiste dat de provinciaal Cyprianus van Antwerpen (Croeser) haar zoon onmiddellijk terug naar huis stuurde. Dat gebeurde niet. Het voorstel van Honoré van Parijs werd zonder discussie door alle afgevaardigden op het kapittel unaniem goedgekeurd. De Vlaamse en Waalse provincies konden en zouden nu hun eigen weg gaan tot 1796.

Hildebrand, deel I, p. 288-296.

Uit: Manier = (J. TYTGAT), Oude en loflijcke maniere van leven in de seraphike religie der paters capucinen van de Vlaemsche provincie 1585-1993, Tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, 1993, nr 21.

 

Overgenomen uit Handdruk jg. 47, nr. 4, december 2016